Hof van beroep te Gent

17e Kamer

Terechtzitting

van 20.11.2001

 

milieuzaak (wet 12.01.1993)

 

2000/AR/1340 - In de zaak van:

 

1. DE BAERE Fred, geboren te Sint-Niklaas op 19 december 1952,

aannemer, wonende te 9100  SINT-NIKLAAS, Drielindenstraat 24,

2. DE LEEUW Kristine, geboren te Sint-Niklaas op 20 juli 1964,

bediende, wonende te 9100 SINT-NIKLAAS, Drielindenstraat 24,

3. BAERT Willy, geboren te Sint-Niklaas op 27 december 1926,

gepensioneerde, wonende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vlyminckshoek 14,

4. VANHAEVERMAET Godelieve, geboren te Gent op 2 december

1930, zonder beroep, wonende te 9100 SINT-NIKLAAS,

VIyminckshoek 14,

5. DE BACKER Deonis, geboren te Landskouter (Oosterzele) op 17

februari 1947, leraar, wonende te 9100 SINT-NIKLAAS, Kleibeekstraat 2,

6. DE KERPEL Godelieve, geboren te Moorse1 (Aalst) op 21

september 1952, lerares, wonende te 9100 SINT-NIKLAAS,

Klei beekstraat 2,

 

appellanten sub 1 t/m 6 die in toepassing van art. 271 ž 1 van de

Nieuwe Gemeentewet in rechte treden namens de Stad Sint-Niklaas,

 

7. A.B.L.L.O. V.Z.W., Aktiekomitee ter Beveiliging van het Leefmilieu

op de Linkeroever, B.S. dd. 24.03.1977 onder 2198, nr. griffie

Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde 1352, met

maatschappelijke zetel te 9170 SINT-GILLIS-WAAS, Stationsstraat 126,

 

appellanten, tegen de beschikking zoals in kortgeding gewezen door

de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde dd.

06.1 0.1 999, hebbende als raadsman Meester VAN DOOREN Hans,

advocaat te 9220 HAMME (O.-VL.), Stationsstraat 50,

 

tegen :

 

de burgerliike vennootschap onder de vorm van een C.V.

INTERCOMMUNALE VERENIGING VOOR HUISVUILVERWERKING

MIDDEN-WAASLAND (afgekort MI-WA), ingeschreven in de registers

van de burgerlijke vennootschappen te Sint-Niklaas onder nr. 16, met

maatschappelijke zetel te 9100 Sint-Niklaas, Vlyminckshoek 12,

 

woonplaats kiezende bij haar raadsman, hierna vermeld,

 

ge´ntimeerde, hebbende als raadsman Meester LINDEMANS Dirk,

advocaat te 1000 Brussel, Keizerslaan 3,

 

velt het Hof het volgende arrest:

 

1.

In het tussenarrest van 26 juni 2001 van deze kamer van het Hof

werden o.m. het principaal en het incidenteel beroep ontvankelijk

verklaard.

De door het Hof bevolen persoonlijke verschijning van partijen in

raadkamer vond plaats op 4 september 2001.

 

Ter terechtzitting van 23 October 2001 heeft het Hof partijen

opnieuw gehoord in hun middelen en conclusies.

De stukken werden ingezien.

 

2.

Anders dan ge´ntimeerde het in de notulen van haar raad van

bestuur van 3 juli 2001 en in haar persmap van 5 juli 2001 heeft

voorgesteld werd in het tussenarrest de klacht van appellanten

niet ongegrond verklaard.

(zie farde III met bijkomende stukken van ge´ntimeerde: stukken f en h)

 

Het Hof stelde enkel vast dat appellanten niet het bewijs leverden

of aannemelijk maakten dat geĹintimeerde bij de exploitatie van de

huisvuilverbrandingsinstallatie de emissienormen van de

rookgassen overschreed, of dat zij ander afval verbrandde dan

toegestaan.

 

Appellanten stoelden hun stakingsvordering tevens op inbreuken

op het voorzorgbeginsel en op het beginsel van het preventief

handelen.

Het onderzoek van die stelling van appellanten bracht het Hof

ertoe ge´ntimeerde te verzoeken om aanvullende informatie te

verschaffen en om een aantal bijkomende stukken neer te leggen.

Tevens vond het Hof het aangewezen om een persoonlijke

verschijning van partijen te bevelen.

 

Het Hof formuleerde het aldus:

 

Er kan vooreerst geen betwisting over bestaan dat ook op

geiĺntimeerde de algemene voorzorgsnorm van toepassing is.

Waar ge´ntimeerde op pagina 34 van haar eerste appelconclusies

bevestigt " dat de inachtneming van de volksgezondheid een

absolute prioriteit moet zijn voor de wetgever en voor de

uitvoerende macht , geldt die prioriteit uiteraard ook voor

haarzelf.

Op heden bestaat geen absolute zekerheid dat de exploitatie van

een huisvuilverbrandingsoven geen enkel gezondheidsrisico

inhoudt voor de omwonenden.

Diverse wetenschappelijke studies evenals het daarover quasi -

permanent gevoerd maatschappelijk debat tonen aan dat het een

delicate en controversiŰle aangelegenheid betreft.

(zie de stukken 9, 17, 23, 28, 29, 37, 38, en de aanvullende

stukken 39, 40 en 41 in het dossier van appellanten, en in het

dossier van ge´ntimeerde een VITO-studie van september 2000

(stuk 20), uitgevoerd in opdracht van de VMM, en het

Ĺbehoedzaam en genuanceerdĺ antwoord van de Vlaamse

Minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke kansen (stuk 24) op

een parlementaire vraag van 9 februari 2001)

 

Naast het artikel 1.2.1. 5 2 van het Decreet van 5 april 1995

houdende algemene beginselen inzake milieubeleid

(voorzorgsbeginsel, preventief handelen., .) zijn er de specifieke

verplichtingen opgelegd door het reeds in het tussenarrest in

extenso aangehaalde artikel 4.C.22 b van het o p 13 augustus

1998 verleende vergunningsbesluit, meer bepaald de verplichting

voor ge´ntimeerde om binnen alle afdelingen van haar bedrijf d e

beste technologieŰn (hierna BBT genoemd) aan te wenden ter

voorkoming of beperking van de emissies en daarover elk jaar te

rapporteren.

(zie stuk 1 in het dossier van appellanten: 4.C Bijzondere

milieuvoorwaarden)

 

In haar BBT-rapport van 1999 vermeldde ge´ntimeerde d a t het

Vlaams BBT-Kenniscentrum (VITO-Mol) e r voor gekozen had om

BBT-studies per bedrijfstak, of per groep van gelijkaardige

activiteiten, uit t e werken, maar dat d e sector huisvuilverbranding

nog niet w a s doorgelicht o p e en dergelijke manier.

ge´ntimeerde voegde daaraan toe dat ook o p Europees vlak nog

g e en publicaties o p het vlak van BBT beschikbaar waren.

(zie paginaĺs 1/3 en 2/3 van stuk 15 in het dossier van

ge´ntimeerde)

 

In het BBT-rapport van 2000 (7 juli 2000) vermeldde

ge´ntimeerde dat er door VITO nog geen BBT-studies i.v.m.

rookgaswassingstechnieken waren opgemaakt.

Ge´ntimeerde verwees wel naar d e volgende studies:

- Onderzoek naar mogelijke toepassing van nieuwe

afvalverwerkingstechnieken in de provincie Antwerpen (mei 1999,

Technische werkgroep met o.a. IGEAN, IGEMO, INDAVER, VLAR

en de Provincie Antwerpen)

- Vergelijking van verwerkingsscenarioĺs voor restfractie

huishoudelijk afval en categorie II bedrijfsafval (VITO, K. Vrancken

et al., voorlopig rapport juni 2000) 

- Gemeenschappelijke studie naar alternatieve technieken voor

d e verwerking van het huishoudelijk en vergelijkbaar bedrijfsafval

van de arrondissementen Mechelen en Turnhout (IGEMO & IOK,

juni 1999)

(paginaĺs 4/9 en 5/9 van het BBT-rapport 2000, stuk 15, ibidem)

 

Bij de toetsing van haar bedrijf aan de technologische vooruitgang

en verandering in wetenschappelijke kennis en inzichten verwijst

ge´ntimeerde expliciet naar de huisvuilverbrandingsoven van

ISVAG te Wilrijk waar in 1999 een DENOx-systeem (SNCR versie)

werd ge´nstalleerd, en naar die van IVAGO te Gent waar in 2000

een SCR-versie werd in gebruik genomen.

Het betreft volgens ge´ntimeerde derhalve een reeds toegepaste

technologie, gaat het om een investering die hiervoor duidelijk aan

te raden valt, is een SNCR-versie wegens zijn eenvoudig principe

aan een goede kwaliteitlprijs verhouding beschikbaar, laat een

studie van de financiŰle situatie door de bedrijfsrevisor toe deze

investering op korte tijd te plannen, zal een bijkomende investering

in een DENOx-systeem de veiligheidsmarge tussen emissies en

emissienorm vergroten, en is het van financieel belang de

investering voor een DENOx zo snel mogelijk te doen gezien de

installatie slechts een vergunning heeft tot 2008.

(pagina's 7/9 en 819, ibidem)

 

Ge´ntimeerde deelde in haar rapport mee dat zij een eerste

vergelijkende studie tussen de verschillende technische principes

(SCR en SNCR) in opdracht had gegeven aan een ingenieursbureau.

(zie pagina 719, ibidem)

 

Kennelijk ging het om de aan de N.V. Miplan in 1999

toevertrouwde opdracht, waarbij dient opgemerkt dat die studie in

juli 2000 sinds geruime tijd door ge´ntimeerde moet zijn gekend,

gezien het Miplan-rapport dateert van 25 augustus 1999.

 

De conclusie van het studiebureau Miplan luidde als volgt:

" Om zowel NOx als de Dioxine uit de rookgassen te verwlderen

en om aan de toekomstige emissienormen van deze twee

polluenten te voldoen is het aan te raden een eenvoudige SCR

DENOx installatie in de bestaande rookgassen zuiverings-

installatie te integreren. "

(zie pagina 25/29 van de door ge´ntimeerde na het tussenarrest

neergelegde Miplan-studie)

 

Kortom, in 2000 stond niets ge´ntimeerde eraan in de weg om met

kennis van zaken, hetzij de beslissing te nemen te investeren in de

op dat ogenblik best beschikbare technieken tot voorkoming of

beperking van schadelijke emissies, hetzij om de

vergunningverlenende overheid, de AMINAL-afdelingen

milieuvergunningen en milieu-inspectie te Gent, het college van

'burgemeester en schepenen te Sint-Niklaas en de OVAM te

informeren over de motieven om een dergelijke beslissing niet te

nemen.

 

M.b.t. die door Miplan reeds in augustus 1999 gemaakte studie

schrijft ge´ntimeerde in haar op 20 augustus 2001 ter griffie van

het Hof neergelegde conclusies:

 

"...

Er zgn dan ook geen nieuwe studies meer geweest. De bestaande

studie houdt zun waarde: indien de DENOx geplaatst zou worden,

zou dit het best gebeuren volgens het voorstel van deze

voorstudie.

De problematiek van de DENOx filter werd samen met de

implicatie van het arrest van het Hof, besproken op een

vergadering van de Raad van Bestuur van 3 juli 2001. "

 

M.a.w., de beslissing om de best beschikbare technieken niet aan

te wenden, of anders gezegd de veiligheidsmarge niet te

verhogen, werd door ge´ntimeerde genomen op 3 juli 2001, d.i.

quasi twee jaar na het (positief) advies van Miplan en ÚÚn jaar na

de bevinding door ge´ntimeerde zelf dat een dergelijke investering

aan te raden was.

 

De verwijzing door ge´ntimeerde in haar laatste appelconclusies

naar de artikels I , 29░ Vlarem I en naar artikel 4.4.3.1.4. Vlarem

II , stellende dat overeenkomstig die wetsbepalingen haar geen

overmatige hoge kosten kunnen worden opgelegd, is niet dienend.

Het Hof herinnert ge´ntimeerde eraan dat zij in haar BBT-rapport

van juli 2000 schreef dat een SNCR-versie wegens zijn eenvoudig

principe aan een goede kwaliteitlprijs verhouding beschikbaar

was, dat een studie van de financiŰle situatie door de

bedrijfsrevisor toeliet deze investering op korte tijd te plannen, en

dat het van financieel belang was de investering voor een DENOx

zo snel mogelijk te doen gezien de vergunning slechts tot 2008

liep.

 

Ge´ntimeerde voert nog aan dat de rechter artikel 4.1.2.1.

VLAREM II zou schenden door uit het louter mogelijk bestaan van

een betere technologie - ongeacht de kostprijs van haar

toepassing - af te leiden dat elke exploitant die ook onmiddellijk

moet toepassen op straffe van sluiting.

 

Die stelling van ge´ntimeerde snijdt geen hout.

Aangenomen dat een zo groot mogelijke veiligheidsmarge niet

tegen om het even welke prijs kan worden opgedrongen, is er de

vaststelling die in juli 2000 door ge´ntimeerde zelf werd gemaakt

dat de installatie van een DENOx-systeem financieel haalbaar

was, en dat precies om de kosten binnen aanvaardbare perken te

houden zonder dralen tot die investering moest worden beslist.

 

Het Hof voegt daar aan toe dat indien de stelling van ge´ntimeerde

zou worden bijgevallen, een min of meer lange periode van

besluiteloosheid zou volstaan om naderhand te argumenteren dat

de toepassing van de best beschikbare technieken financieel en/of

bedrijfseconomisch niet meer te verantwoorden valt.

Getoetst aan het voorzorgsbeginsel en aan het beginsel van

preventief handelen is een dergelijke stelling onverdedigbaar.

 

Evenmin kan de argumentatie van ge´ntimeerde worden

bijgevallen dat er nog een optreden van de regelgevende of

vergunningverlenende overheid nodig is vooraleer toepassing kan

worden gemaakt van de best beschikbare technieken.

 

De aan ge´ntimeerde luidens de milieuvergunning van 13

augustus 1998 opgelegde verplichting is eenduidig:

 

"...

In dit kader dient jaarljks een rapport opgemaakt met beschrijving

van de op dat ogenblik beschikbare technologie voor

rookgaszuivering (tot maximale bescherming van de emissies en

immissies)

Dit rapport dient tevens te vermelden welke bijkomende

maatregelen effectief zullen qenomen worden. qekoppeld aan

uitvoerinastermiinen.

..."

(onderstreept door het Hof)

 

In het BBT-rapport van 26 juli 2001 valt o.m. te lezen:

 

"...

Verwijzend naar de door VITO recent uitgevoerde studie waarin

een SCR-DENOx als een installatie met een betere performantie

wordt beoordeeld is anno 2001 het SCR-systeem het aan te raden

DENOx-systeem. lndien Mi- Wa beslist een DENOx systeem fe

installeren is het SCR-type aan te raden.

Voor verdere details verwijs ik naar de voorstudie uitgevoerd door

het studiebureau waarvan het eindrapport afgewerkt is eind 1999.

..."

 

Als besluit worden dan de drie mogelijkheden opgesomd, evenwel

zonder een keuze te maken: zo snel mogelijk de bouw van een

DENOx starten, een afwijking vragen bij de Minister van Leefmilieu

op de Europese Richtlijn 2000/76/EG voor de rest van de

vergunningstermijn, of zonder verdere investeringen blijven verder

werken tot eind 2005.

(zie het BBT-rapport 2001, farde III van het dossier van

ge´ntimeerde)

 

Evenmin als dit in 2000 het geval was wordt in 2001 de

vergunningverlenende overheid door ge´ntimeerde ge´nformeerd

over welke maatregelen effectief zullen worden genomen en welke

uitvoeringstermijnen zullen worden in acht genomen.

 

Waarom ge´ntimeerde die informatie niet verschafte of kon

verschaffen zegt zij niet, maar het blijft bizar dat op 26 juli 2001

ge´ntimeerde in haar BBT-rapport nog alles open laat, waar zij drie

weken voordien, op 3 juli 2001 formeel beslist heeft geen DENOx-

filter te plaatsen, geen afwijking op de Europese Richtlijn te

vragen, en tot 31 december 2004 verder te werken.

 

Tijdens de persoonlijke verschijning op 4 september 2001

verklaarde Johan De Cuyper, voorzitter van de raad van bestuur

van ge´ntimeerde, aan het Hof:

 

" Op uw vraag of er tussen 25 augustus 1999 (datum van het

Miplan-rapport) en de vergadering van de raad van bestuur op 3

juli 2001 expliciet op de dagorde is vermeld en besproken of er al

dan niet filters zouden geplaatst worden is mijn antwoord dat dat

niet het geval is.

Ik voeg er aan toe dat eenmaal per maand een raad van bestuur

wordt gehouden.

 

De beslissing om de verbrandingsactiviteiten definitief en

onomkeerbaar te staken op 37 december 2004 werd genomen,

rekening houdende met financieel economische motieven, dat wil

zeggen een afweging tussen enenijds de investeringskosten die

gepaard gaan met de installatie van de filters en andenijds de

einddatum van de exploitatievergunning (april 2008).

 

Tevens waren er maatschappelijke politieke argumenten, in de

eerste plaats de onmogelijkheid om op dezelfde plaats een nieuwe

installatie op te richten en de politieke beslissing die werd

genomen door de stad Sint-Niklaas, hoofdaandeelhouder, om de

verbrandingsactiviteiten binnen de lopende legislatuur stop te

zetten.

Op de vergadering die op 26 juni 2001 werd gehouden met de

vennoten (de burgemeesters) van de betrokken gemeenten die

aandeelhouder zijn is er beslist om het reconversieplan goed te

keuren ..."

 

Rudy Verlaeckt, directeur van ge´ntimeerde, verklaarde tijdens

diezelfde persoonlijke verschijning :

 

" Het BBT rapport van 2 juli 2000 is in de raad van bestuur

besproken en goedgekeurd.

Tussen dat BBT rapport van juli 2000 en de vergadering van de

raad van bestuur van 3 juli 2001 is het al dan niet plaatsen van de

filters nooit formeel op de dagorde gekomen.

Dat sluit niet uit dat er op informele wijze overleg werd gepleegd

met het dagelijks bestuur en met de beleidsmensen. "

 

Het Hof laat opmerken dat de verklaringen van voorzitter Johan

De Cuyper en directeur Rudy Veriaeckt afwijken van de ter

terechtzitting van 23 oktober 2001 neergelegde notulen van de

raad van bestuur van 17 augustus 2000 en van 12 oktober 2000.

 

In de notulen van de raad van bestuur van 17 augustus 2000

wordt onder punt 7. vermeld:

 

Voor wat betreft het milieuverslag leest de directeur de algemene

conclusie voor:

 

"Mi-Wa heeft er in de periode 1/7/99 t/m 30/9/99 alles aan gedaan

om de milieuwetgeving minstens na te leven. Op sommige vlakken

(b. v. meetcampagnes en werkelijk emissies) is het bedrijf verder

gegaan dan wettelijk verplicht. Een mogelijke hinder naar mens en

leefmilieu wordt op deze wijze tot een minimum beperkt. Er dienen

nog enkele kleine aanpassingen uitgevoerd te worden maar ook

hieraan wordt continu verder gewerkt. Het bedrijf is bezig met het

opzetten van een gestandaardiseerd milieuzorgsysteem. "

 

Ook het BBT (Best beschikbare Technologie) rapport is positief en

enkel de parameter NOx zou beter kunnen. Daarom dient men

rekening te houden dat er in de toekomst waarschijnlijk

geinvesteerd dient te worden in een DENOx-installatie.

 

De directeur wijst hier op het feit dat de bedrijfsrevisor momenteel

bezig is met de opdracht voor de werkgroep 2000-2008. In zijn

scenario's tot 2008 zal hij twee hypotheses maken: ÚÚn met deze

investering en ÚÚn zonder deze investering. Deze investering zal

ongeveer 40 miljoen BEF bedragen. "

(zie farde IV, stuk l a van de laatste aanvullende stukken van

ge´ntimeerde - notulen ondertekend door Johan De Cuyper en

Rudy Verlaeckt)

De financiŰle analyse waarnaar wordt verwezen werd op 7 juni

2000 door ge´ntimeerde gevraagd aan bedrijfsrevisor W. De Neef.

Het rapport was op 14 september 2000 beschikbaar.

De investering in 2002 voor de NOx-installatie werd begroot op 45 miljoen BEF.

(zie farde IV, stuk 3 in het dossier van ge´ntimeerde)

 

In de notulen van de vergadering van diezelfde raad op 

12 oktober 2000 wordt onder punt 3. vermeld:

 

" De directie geeft een toelichting bij de financiŰle analyse

opgesteld door de bedrijfsrevisor, de heer De Neef. In deze

bedrijfseconomische analyse werd rekening gehouden met twee

scenario's: nl. ÚÚn tot 2008 en ÚÚn bij een stopzetting in 2004. Bij

de eerste hypothese werd rekening gehouden met een investering

in een NOx-installatie in 2002.

Deze analyse houdt geen rekening met hef sociaal passief

(personeel) noch met de ombouw of sanering van de site, noch

met de meerkost voor het eventueel afvoeren naar een andere

afvalvenverker bij een vroegtijdige sluiting.

Voor beide scenario's werd in een overzichtelijke tabel de evolutie

van de kosten en de vrijkomende middelen in functie van de

eventuele stopzetting van de afvalverbranding bij Mi- Wa

weergege ven.

Grosso modo kan men stellen dat het break-even punt in beide

scenario's rond 2003 ligt,

Bij de eerste hypothese (verbranden tot einde vergunning) zal

Mi-Wa middelen genereren voor de bijkomende kosten, die

kunnen oplopen tot meer dan 300 miljoen BEF in 2001.

Bij de tweede hypothese zullen de vennoten voor deze kosten

moeten opdraaien plus de meerkosten voor verwerking op een

andere locatie.

Het College van Commissarissen zal eerst dit rapport analyseren.

Na haar advies zal de Raad van Bestuur dit rapport overhandigen

aan haar vennoten."

(stuk l b , notulen ondertekend door Johan De Cuyper en Rudy

Verlaeckt, ibidem)

 

De analyse door het college van commissarissen ligt niet voor,

doch hoe dan ook duurde het tot 3 juli 2001 vooraleer

ge´ntimeerde een beslissing nam en voor de tweede hypothese

koos: er wordt geen DENOx-filter geplaatst, de Europese richtlijn

2000/76/EG van 4 december 2000 wordt in zijn striktste zin

uitgevoerd en er wordt geen afwijking aangevraagd, en de

verbrandingsactiviteiten worden gestaakt op 31 december 2004.

(zie stuk 1c, notulen ondertekend door Johan De Cuyper en Rudy

Verlaeckt, ibidem)

 

Het Hof maakte reeds in het tussenarrest volgende overweging:

 

Getoetst aan de BBT-voorwaarden in artikel 4 C 22 b van de

milieuvergunning van 13 augustus 1998, en in acht genomen haar

eigen bevindingen in het BBT-jaarverslag van 2000, kan in

redelijkheid niet anders geconcludeerd worden dan dat op

ge´ntimeerde de stringente verplichting rust een zo groot mogelijke

veiligheidsmarge in acht te nemen.

 

Een dergelijke verplichting is een toepassing van het 'beginsel

van het preventief handelen' dat voorschrijft dat men moet

optreden om milieuschade te voorkomen eerder dan de schade

achteraf te moeten herstellen.

 

Evenzeer is een dergelijke verplichting een toepassing van het

'voorzorgbeginsel' dat betekent dat men niet moet wachten op een

wetenschappelijke consensus om bepaalde potentiŰle gevaren

voor het milieu en voor de volksgezondheid aan te pakken.

 

Ge´ntimeerde kan zonder het verwijt te krijgen van inconsistentie

niet eensdeels voorhouden dat haar initiatief om bijkomende

investeringen te doen teneinde de emissienormen nog meer naar

beneden te brengen bewijst dat zij aldus haar

afvalverbrandingsinstallatie als een goed huisvader beheert en zij

aldus het zorgvuldigheidsbeginsel ten volle respecteert, en

anderdeels stellen dat het appellanten niet behoort na te gaan of

die bewering met de werkelijkheid overeenstemt en dat daarover

desgevallend geen rechterlijke controle kan plaats vinden.

 

Appellanten zijn als omwonenden gerechtigd op een adequate en

zo groot mogelijke bescherming van hun gezondheid.

Een daarbij aansluitende rechterlijke controle kadert in de

preventieve werking van de wet van 12 januari 1993.

 

Die controle slaat op de door ge´ntimeerde aangewende middelen

ter voorkoming van milieuschade, en op de vraag of het gaat om

de 'best beschikbare technieken' zoals door de

vergunningverlenende overheid is opgelegd, en zoals zij overigens

zelf voorhoudt.

 

Indien ge´ntimeerde niet scrupuleus de verplichtingen naleeft die

haar door de vergunningverlenende overheid worden opgelegd,

d.i. in casu het aanwenden van de 'best beschikbare technieken'

om het totale effect van de emissies op het milieu te voorkomen of

tot een minimum te beperken, is dit gelijk te stellen met een

ernstige dreiging zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 12

januari 1993.

 

Het Hof stelt vast dat ge´ntimeerde, wetens en willens, heeft

beslist om geen investeringen te doen waarbij voor de resterende

vergunningsperiode de best beschikbare technieken zouden

worden aangewend.

Op grond van financieel-economische overwegingen heeft

ge´ntimeerde beslist haar huisvuilverbrandingsoven verder te

exploiteren tot 31 december 2004.

 

Die beslissing van ge´ntimeerde om in die omstandigheden haar

verbrandingsactiviteiten verder te zetten tot en met 31 december

2004, zonder gebruik te maken van de best beschikbare

technieken vormt naar het oordeel van het Hof een ernstige

dreiging in de zin van artikel I van de wet van 12 januari 1993.

 

Bij ernstige dreiging staat het aan de rechter om adequate

maatregelen te treffen ter voorkoming van schade.

Desgevallend kan een termijn worden toegestaan om aan de

opgelegde maatregel te voldoen.

 

Luidens de notulen de dato 18 september 2001 van de raad van

bestuur van ge´ntimeerde hebben partijen op 13 september 2001

onderhandeld over een sluitingsdatum.

Appellanten drongen aan op een sluiting van de

verbrandingsinstallatie op 1 juli 2002, terwijl ge´ntimeerde de

sluitingsdatum van 31 december 2004 'als finaliteit' wenste te

behouden.

(zie farde IV, stuk 4 in het dossier van ge´ntimeerde)

 

Een stakingsvordering is niet zozeer een middel om een privaat

geschil te beslechten, maar een instrument om, met het oog op

het algemeen belang, de milieuwetgeving te handhaven en

schade aan het leefmilieu te voorkomen.

 

Het Hof heeft vanzelfsprekend oog voor het collectief belang dat

wordt gediend door de huisafvalverbranding waarmee

ge´ntimeerde zich inlaat, met de tijd die is vereist voor een

gebeurlijke ombouw van de ovens tot overslag- en transport unit,

met het sociaal passief en dergelijke meer.

 

Uit de stukken blijkt dat ge´ntimeerde sinds juli 2001 aan een

concreet en globaal plan werkt om aan de diverse problemen die

een vervroegde sluiting met zich brengt het hoofd te bieden.

(zie de persconferentie van ge´ntimeerde op 5 juli 2001 die de titel

meekreeg "Mi-Wa 2003 - ..." )

 

Aan ge´ntimeerde moet derhalve de mogelijkheid worden geboden

om in haar conversieplan, dat naar eigen zeggen eind december

2001 zal bekend zijn, rekening te houden met de door het Hof

opgelegde sluitingsdatum.

 

Rekening houdend met alle in het geding zijnde belangen

beveelt het Hof dat ge´ntimeerde uiterlijk op eenendertig

december tweeduizendentwee (2002) de activiteiten in het

bedrijf gelegen te Sint-Niklaas aan de Vlyminckshoek 12,

bestaande uit het verbranden van afvalstoffen van welke aard

of herkomst ook, zal staken onder verbeurte van een

dwangsom van 100.000 frank per vastgestelde overtreding.

 

Gelet op wat voorafgaat is de tegenvordering van ge´ntimeerde

strekkend tot een veroordeling van appellanten tot het betalen van

50.000 frank wegens tergend en roekeloos geding ongegrond.

 

OP DIE GRONDEN

HET HOF

Rechtdoende op tegenspraak en met inachtneming van artikel 24

van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Rechtdoende over de gegrondheid van het principaal en het

incidenteel beroep:

Doet de bestreden beschikking teniet, behoudens waar beslist

werd over de ontvankelijkheid van de vordering van appellanten,

 

En opnieuw rechtsprekend,

 

Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellanten in de

hierna bepaalde mate gegrond.

 

Beveelt dat ge´ntimeerde uiterlijk op eenendertig december

tweeduizendentwee (2002) de activiteiten in haar bedrijf

gelegen te Sint-Niklaas aan de Vlyminckshoek 12, bestaande

uit het verbranden van afvalstoffen van welke aard of

herkomst ook, zal staken onder verbeurte van een dwangsom

van 100.000 frank per vastgestelde overtreding.

 

Wijst het door appellanten meer gevorderde af als ongegrond.

 

Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van ge´ntimeerde

ontvankelijk doch ongegrond.

 

Veroordeelt ge´ntimeerde tot de kosten gevallen in beide

aanleggen aan de zijde van appellanten.

 

Aan hun zijde worden die kosten tot dusver begroot op:

 

dagvaarding en rolstelling: 9.672 frank

rechtsplegingvergoeding eerste aanleg : 4.400 frank

rechtsplegingvergoeding in hoger beroep 8.800 frank

aanvullende rechtsplegingvergoeding 2.200 frank

totaal: 25.072 frank

 

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het

Hof van beroep te Gent, van de ZEVENTIENDE KAMER, zitting

houdende in burgerlijke zaken van TWINTIG NOVEMBER

TWEEDUIZEND EN EEN.

Aanwezig :

Dominique Vandorpe, Raadsheer, Wn. Kamervoorzitter,

Jenny Dammekens, Griffier

 

raadsman van de omwonenden en ABLLO  : 

 

HANS VAN DOOREN

Advokaat

Stationsstraat 50

Tel, (052) 47 99 49

9220 -- HAMME

 

Vlaams Platform Milieu en Gezondheid
www.milieugezondheid.be