2000/AR/1340 - In de zaak van:

 

1. DE BAERE Fred, geboren te Sint-Niklaas op 19 december 1952,

aannemer, wonende te 9100 SINT-NIKLAAS, Drielindenstraat 24,

2. DE LEEUW Kristine, geboren te Sint-Niklaas op 20 juli 1964, be-

diende, wonende te 9100 SINT-NIKLAAS, Drielindenstraat 24,

3. BAERT Willy, geboren te Sint-Niklaas op 27 december 1926, ge-

pensioneerde, wonende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vlyminckshoek 14,

4. VANHAEVERMAET Godelieve, geboren te Gent op 2 december

1930, zonder beroep, wonende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vlymincks-

hoek 14,

5. DE BACKER Deonis, geboren te Landskouter (Oosterzele) op 17

februari 1947, leraar, wonende te 9100 SINT-NIKLAAS, Kleibeekstraat

6. DE KERPEL Godelieve, geboren te Moorset (Aalst) op 21 septem-

ber 1952, lerares, wonende te 9100 SINT-NIKLAAS, Kleibeekstraat 2,

appellanten sub 1 tem 6 die in toepassing van art. 271 ž 1 van de

Nieuwe Gemeentewet in rechte treden namens de Stad Sint-Niklaas,

7. A.B.L.L.O. V.Z.W., Aktiekomitee ter Beveiliging van het Leefmilieu

op de Linkeroever, B.S. dd. 24.03.1 977 onder 21 98, nr. griffie Recht-

bank van Eerste Aanleg te Dendermonde 1352, met maatschappelijke

zetel te 91 70 SINT-GILLIS-WAAS, Stationsstraat 126,

 

appellanten, hebbende als raadsman Meester VAN DOOREN Hans,

advocaat te 9220 HAMME (0.-VL.), Stationsstraat 50,

 

tegen :

 

de burgerlijke vennootschap onder de vorm van een C.V. INTER-

COMMUNALE VERENIGING VOOR HUISVUILVERWERKING MID-

DEN-WAASLAND (afgekort MI-WA), ingeschreven in de registers van

de burgerlijke vennootschappen te Sint-Niklaas onder nr. 16, met

maatschappelijke zetel te 9100 Sint-Niklaas, Vlyminckshoek 12,

 

woonplaats kiezende bij haar raadsman, hierna vermeld,

 

ge´ntimeerde, hebbende als raadsman Meester LINDEMANS Dirk, ad-

vocaat te 1000 Brussel, Keizerslaan 3,

 

velt het Hof het volgende arrest:

 

1.

Het Hof heeft de partijen in openbare terechtzitting gehoord in hun mid-

delen en conclusies en heeft de stukken ingezien.

 

Appellanten hebben tijdig en op rechtsgeldige wijze hoger beroep inge-

steld tegen de beschikking die op tegenspraak werd uitgesproken op

6 oktober 1999 door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te

Dendermonde, zetelend als in kort geding.

 

Het incidenteel beroep is toelaatbaar

 


2.1.

Voor de eerste rechter vorderden appellanten op grond van de wet van

12 januari 1993 dat aan ge´ntimeerde verbod zou worden opgelegd om

in haar inrichting te 9100 Sint-Niklaas aan de Vlijminckshoek 12 nog ac-

tiviteiten te ontplooien of te laten plaats vinden die bestaan in het ver-

branden van afvalstoffen, van welke aard of herkomst ook, een en ander

onder verbeurte van een dwangsom van 1.000.000 frank per vastgestel-

de overtreding of per dag dat de inrichting wordt uitgebaat in strijd met

de tussen te komen beschikking.

 

2.2.

Ge´ntimeerde betwistte op diverse gronden zowel de ontvankelijkheid als

de gegrondheid van de vordering.

O.m. stelde zij dat aan het Arbitragehof een prejudiciŰle vraag moest

worden gesteld m.b.t. een mogelijk bevoegdheidsconflict.

 

Bij tegeneis vorderde zij van appellanten een schadevergoeding van

50.000 frank wegens tergend en roekeloos geding.

 

3.

Het motiverend gedeelte van de bestreden beschikking van de Voorzitter

luidt als volgt:

 

I. 1.

Nopens de ontvankelijkheid laat artikel 271 van de Nieuwe Gemeen-

tewet ÚÚn of meer inwoners toe om in rechte op te treden, zo het

college van burgemeester en schepenen zulks nalaat nu het tegen-

deel niet blijkt, te meer daar er in casu mogelijks tegenstrijdige be-

langen zouden kunnen aanwezig zijn.

 

I. 2.

Wat de vzw A.B.L.L.O. betreft, volstaat het, conform artikel 2 van de

wet van 12 januari 1993, meer dan 3 jaren te bestaan, als maat-

schappelijk doel milieubescherming te verrichten over een gedefi-

nieerd gebied,

Na nazicht van de hierover neergelegde stukken (Bijlage Belgisch

Staatsblad de dato 24 maart 1977, 05 mei 1994 en 12 juni 1997) dient

te worden vastgesteld dat ook de door deze vzw gestelde vordering

ontvankelijk is.

 

Vooreerst dient te worden vastgesteld dat er tussen partijen geen

verzoening te bekomen was.

 

III.

Overwegende dat er conform de bepalingen van artikel 1 van de wet

van 12 januari 1993 (enkel) dient te worden nagegaan of, onvermin-

derd de bevoegdheid van andere rechtscolleges op basis van ande-

re wetsbepalingen, de handelingen een kennelijke inbreuk tegen

een milieuwetgeving of ernstige dreiging vormen voor een inbreuk

op ÚÚn of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, ver-

ordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leef-

milieu.

De feitelijke gegevens door de partijen naar voren gebracht zijn

mogelijkerwijze hetzij voorbijgestreefd, hetzij tegenstrijdig, hetzij

vooralsnog niet na te gaan zodat zich in deze optiek nader deskun-

dig onderzoek opdringt ten einde de vraag te kunnen beoordelen of

er een kennelijke inbreuk tegen een milieuwetgeving of een ernstige

dreiging voor een inbreuk aanwezig is op ÚÚn of meer bepalingen

van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten be-

treffende de bescherming van het leefmilieu, waarbij het in huidige

procedure van belang is te weten of een dergelijke toestand zich

thans voordoet, hetzij of er gevaar in de toekomst voor bestaat.

 

Het beschikkend gedeelte van de bestreden beschikking luidt als volgt:

 

Verklaren de vordering ontvankelijk.

 

Verlenen akte aan eisers sub I t/m 6 van hun aanbod tot zekerheid-

stelling voor het persoonlijk dragen van de kosten van het geding

en voor de veroordelingen die lastens hen zouden worden uitge-

sproken.

 

Gezien de tot op heden mislukte poging tot verzoening nopens de

grond van de zaak:

 

Stellen aan als deskundige: Prof. Dr. Ir. NoŰ1 WILLEMS, Gravin Jo-

hannalaan 15 te 9900 Eeklo (09/377.41.44), die zich desgevallend zal

mogen laten bijstaan door ÚÚn of meer gespecialiseerden naar zijn

keuze, met opdracht, na partijen en hun raadslieden behoorlijk te

hebben verwittigd van plaats, dag en uur van de aanvang van zijn

verrichtingen en onder naleving van het bepaalde in artikels 962 en

vlg. Ger. Wb.,

 

- zich ter plaatse te begeven te Sint-Niklaas, Vlyminckshoek 12,

en omgeving;

- de stukken en argumenten van partijen te onderzoeken ten ein-

de na te gaan of er een kennelijke inbreuk tegen een milieuwet-

geving of een ernstige dreiging voor een inbreuk o p ÚÚn of meer

bepalingen aanwezig is van wetten, decreten, ordonnanties,

verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het

leefmilieu, hetzij thans, hetzij in de toekomst;

- de nuttige vragen van partijen te beantwoorden. -

 

Zeggen dat de deskundige zijn gemotiveerd, onder eed bevestigd

en ondertekend verslag, dat hij vooraf in voorlezing zal hebben ge-

stuurd, dient neer te leggen ter griffie van deze rechtbank binnen de

zes maanden te rekenen vanaf de aanvang van zijn verrichtingen.

 

Verwijzen de zaak voor verdere behandeling naar de openbare te-

rechtzitting van woensdag 26 april 2000 om 9.00 uur.

 . . . .


4.1.

Appellanten voeren als grief aan dat de eerste rechter, na een onder-

zoek van de ontvankelijkheid van de vordering, zich beperkt heeft tot

een loutere onderzoeksmaatregel.

 

Volgens appellanten werd aldus afbreuk gedaan aan de pertinente vast-

stelling dat een aantal inbreuken op hoger geciteerde bepalingen vast te

stellen zijn zonder een verder diepgaand wetenschappelijk onderzoek,

en wordt het debat in wezen verengd tot de vraag of er op heden nog ei-

genlijke normoverschrijdingen kunnen worden vastgesteld.

Nog volgens appellanten had de eerste rechter in toepassing van het

voorzorgbeginsel moeten besluiten tot onmiddellijke sluiting van de in-

stallatie van ge´ntimeerde.

 

In laatste appelconclusies handhaven appellanten hun vordering tot slui-

ting.

 

Ondergeschikt vorderen zij:

 

- de staking te bevelen van de praktijk om ongesorteerde bedrijfsaf-

valstoffen en/of ongesorteerde huishoudelijke afvalstoffen te ver-

branden in strijd met artikel 5.2.5. Vlarea, en dit onder verbeurte van

een dwangsom van 100.000 frank per vastgestelde overtreding.

 

- ge´ntimeerde te verbieden in de inrichting gelegen te Sint - Niklaas,

Vlijminckshoek 12, nog activiteiten te ontplooien of te laten plaats-

vinden die bestaan in het verbranden van afvalstoffen, en dit voor

zover er binnen de twee maanden na het tussengekomen arrest

geen DENOx - filter zoals beschreven in het rapport "Best Beschik-

bare Technieken voor rookgaszuivering te MI-WA in Sint-Niklaas"

wordt geplaatst.

 

4.2.

Volgens ge´ntimeerde zijn de grieven van appellanten feitelijk onjuist,

ofwel achterhaald door nieuwe ontwikkelingen, ofwel rechtens niet

deugdelijk.

 

Ge´ntimeerde houdt staande dat de stakingsvordering als onontvankelijk

zou worden afgewezen, minstens onontvankelijk wordt verklaard zolang

geen waarborg ten belope van alle kosten en veroordelingen is gesteld.

Zij handhaaft haar stelling dat, alvorens recht te doen, aan het Arbitra-

gehof een prejudiciŰle vraag m.b.t. een mogelijk bevoegdheidsconflict

zou worden gesteld.

Subsidiair vordert zij dat de vordering zou worden afgewezen.

Nog meer subsidiair vordert zij dat het opleggen van een dwangsom zou

worden afgewezen als onontvankelijk, minstens ongegrond.

 

Ge´ntimeerde handhaaft eveneens haar vordering tot betaling van

50.000 frank wegens tergend en roekeloos geding.


BEOORDELING

 

Ontvankelijkheid

 

5.1.

Anders dan ge´ntimeerde voorhoudt laat niets toe te stellen dat de wet

van 12 januari 1993 de mogelijkheid om een beroep te doen op artikel

21 7 ž 1 Nieuwe Gemeentewet uitsluit.

Met dit artikel wordt aan de inwoners van de gemeente de mogelijkheid

verschaft namens deze overheid op te treden, telkens collectieve belan-

gen op het spel staan die de gemeente nalaat te verdedigen.

 

Een gezond leefmilieu is bij uitstek een collectief belang.

 

Dat het college van burgemeester en schepenen van de Stad Sint-Nik-

laas niet in rechte is opgetreden, in weerwil van een uitdrukkelijk verzoek

op de gemeenteraadszitting van 26 februari 1999, staat voor het Hof

vast en wordt overigens door ge´ntimeerde niet tegengesproken.

 

Ge´ntimeerde spreekt ook niet tegen dat de stad Sint-Niklaas in de in-

tercommunale MI-WA een meerderheidsparticipatie heeft, en dat in 1999

de schepen van leefmilieu van de stad Sint-Niklaas voorzitter was van

haar raad van bestuur, terwijl ook de burgemeester er deel van uit-

maakte.

Terecht heeft de eerste rechter gewezen op de mogelijkheid van tegen-

strijdige belangen, hetgeen zou kunnen verklaren waarom de gemeente-

lijke overheid niet in rechte tegen ge´ntimeerde wenste op te treden.

 

Hoe dan ook kunnen de statuten van de intercommunale MI-WA waar-

van de stad Sint-Niklaas lid is geworden haar nooit ontslaan van haar

wettelijke en fundamentele verplichtingen zoals die in artikel 135 ž 2

Nieuwe Gemeentewet zijn bepaald, o.m. het waken over de gezondheid

van de inwoners.

 

5.2.

Aan de door artikel 271 ž 1 Nieuwe Gemeentewet gestelde zekerheid-

stelling wordt door de onder 1 tot 6 vermelde appellanten op afdoende

wijze voldaan met de betaling der kosten van de dagvaarding en de rol-

kosten in beide aanleggen, en met hun in de appelakte herhaald aanbod

om in te staan voor de veroordelingen die lastens hen kunnen worden

uitgesproken.

Die lastens appellanten uit te spreken veroordeling kan hooguit de aan

ge´ntimeerde in beide aanleggen toekomende rechtsplegingvergoeding

zijn, evenals gebeurlijk het door haar gevorderd bedrag van 50.000

frank wegens tergend en roekeloos geding.

 

Niets laat toe te stellen dat de sub 1 tot 6 vermelde appellanten niet vol-

doende solvabel zijn om desgevallend die bedragen te betalen.

Zij kunnen derhalve namens de Stad Sint-Niklaas in rechte optreden en

hun vordering is ontvankelijk.

 


5.3.

Ten onrechte houdt ge´ntimeerde staande dat het college van burge-

meester en schepenen van de stad Sint-Niklaas geen bevoegdheid zou

hebben om op grond van de wet van 12 januari 1993 in rechte op te tre-

den bij kennelijke inbreuken of ernstige dreiging in milieuaangelegenhe-

den.

 

Op welke wijze de wet van 12 januari 1993 bevoegdheidsverdelende

bepalingen (federale - versus decretale wetgever) zou schenden maakt

ge´ntimeerde niet duidelijk.

 

Om de voorliggende betwisting te kunnen beoordelen is derhalve niet

vereist dat voorafgaandelijk aan het Arbitragehof een prejudiciŰle vraag

zou worden gesteld in de zin zoals door ge´ntimeerde geopperd.

 

6.

De sub 7. vermelde appellante voldoet als milieuvereniging aan alle in

artikel 2 van de wet van 12 januari 1993 gestelde voorwaarden om in

rechte te kunnen optreden.

Haar vordering is ontvankelijk.

(zie de stukken sub 35 in het dossier van appellanten)

 

7.

Met haar stelling dat de rechter t.a.v. een behoorlijk vergunde inrichting

slechts maatregelen kan nemen die niet in strijd zijn met de administra-

tieve vergunning en die het bestaan van de inrichting niet aantasten,

miskent ge´ntimeerde manifest de doelstellingen en de draagwijdte van

de wet van 12 januari 1993.

 

De door ge´ntimeerde aangehaalde cassatierechtspraak van 1962 en

1974 is niet relevant.

 

Gegrondheid

 

8.

Cruciaal bij de beoordeling van de vordering(en) van appellanten is de

vraag of zij al dan niet aannemelijk maken dat hetzij ge´ntimeerde ÚÚn of

meer kennelijke inbreuken tegen de milieuwetgeving begaat, hetzij er

een ernstige dreiging bestaat voor een inbreuk op ÚÚn of meer bepalin-

gen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten be-

treffende de bescherming van het leefmilieu.

 

De bewijslast ligt principieel bij appellanten en zij alleen dragen het be-

wijsrisico.

Ge´ntimeerde is gehouden op een loyale wijze aan de bewijsvoering

mee te werken zonder dat zulks mag leiden tot een omkering van de

bewijslast.

 

Het Hof stelt vast dat appellanten aan de door de eerste rechter bevolen

onderzoeksmaatregel geen enkele uitvoering hebben gegeven.

Daarnaast hebben appellanten meer dan acht maanden gewacht voor-

aleer hoger beroep aan te tekenen.

Voor die bizarre gang van zaken geven appellanten geen plausibele ver-

klaring, doch dat staat de beoordeling van de gegrondheid van hun vor-

dering door het Hof niet in de weg.

 

Kennelijke inbreuken en/of ernstige dreiging

 

9.

Ge´ntimeerde spreekt niet tegen dat in het verleden sommige normen

niet werden gehaald, dat de milieu-inspectie voor een aantal overtredin-

gen proces-verbaal heeft opgesteld en dat eenmaal, in 1997 toen stren-

gere normen in voege traden, tot stopzetting van de exploitatie werd be-

slist.

(zie pagina 5 en 6 van de eerste appelconclusies van ge´ntimeerde)

 

Het ligt evenwel niet op de weg van het Hof om te oordelen over wat er

in het verleden is verkeerd gegaan. maar om na te gaan of er thans nog

sprake is van kennelijke inbreuken en/of ernstige dreiging. en zonodig de

passende maatregelen te bevelen.

 

10.

De eerste rechter wees reeds op de mogelijkheid dat de door partijen

voorgebrachte feitelijke gegevens op het tijdstip van zijn beschikking, d.i.

op 6 oktober 1999, achterhaald waren.

Die overweging was een van de redenen waarom hij tot een onderzoeks-

maatregel besloot.

 

Appellanten bevestigen minstens impliciet die mogelijkheid gezien zij -

meer dan een jaar later - op pagina 5 van hun op 16 januari 2001 neer-

gelegde appelconclusies schrijven:

" Het is vermoedelijk wel juist dat op vandaag geen emissienormen

zichtbaar meer worden overschreden.

Probleem bij dit alles is het falend controlebeleid.

Het is precies omwille van de falende en manke controle dat actueel

geen enkele zekerheid kan worden geboden dat er geen belangrijke

overschrijdingen meer zijn.

ů.

Niemand controleert of kan controleren.ö

 

Op uitdrukkelijk verzoek van het Hof heeft ge´ntimeerde aan appellanten

aanvullende stukken meegedeeld.

(zie de stukken 21 t.e.m. 29 in het dossier van ge´ntimeerde)

 

Uit het milieujaarverslag 2001 (bedrijvigheid 2000) en het overzicht van

de meetresultaten over het gehele jaar 2000 blijkt dat de emissienormen

niet werden overschreden.

(zie de stukken 22 en 28, ibidem)

 

De wijze van meting en de objectiviteit van de resultaten worden door

appellanten niet in vraag gesteld.

Hun stelling dat niemand controleert of kan controleren wordt derhalve

door ge´ntimeerde op overtuigende wijze weerlegd.

 

11.

De Minister van Leefmilieu antwoordde op 25 april 2000 op een parle-

mentaire vraag de dato 17 april 2000 over de installatie van ge´ntimeer-

de ôů de rookgasemissies van de huisvuilverbrandingsoven van

ge´ntimeerde zijn laag en voldoen aan alle gekende normen en

voorwaarden inzake volksgezondheid en leefmilieu ô.

(zie pagina 9 van het BBT - rapport MI-WA - stuk 15 in het dossier van

ge´ntimeerde)

 

12.1.

Ge´ntimeerde beschikt over een reeks exploitatievergunningen die alle

verstrijken op 13 april 2008.

(zie pagina 2 en 3 van de appelakte en pagina 2 en 3 van de eerste ap-

pe1conc1usies van ge´ntimeerde)

 

De laatste vergunning van de bestendige deputatie van de provincieraad

van Oost-Vlaanderen dateert van 24 augustus 2000 en heeft betrekking

op de vervanging van de twee steunbranders met een totaal vermogen

van 10 MW.

 

Tegen die vergunning hebben appellanten sub 1 en 2 hoger beroep in-

gesteld bij de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw.

Appellanten sub 1 en 2 voerden o.m. aan:

 

ô

- de exploitant is verplicht steeds gebruik te maken van de BBT;

dit is hier niet het geval omdat de filterinstallatie slechts goed

werkt bij een continu proces;

- de exploitant leeft de opgelegde voorwaarden niet na, o.m. qua

vuilophaling, verbranding van GFT, toegang voor het publiek;

- er gebeuren geen metingen voor PAKĺS, PCBĺs, methylkwik,

chroom - 6 en fijn stof;

- het besluit is een manifeste inbreuk op het voorzorgsprincipe;

- het advies van de gezondheidsinspectie zit niet in het dossier;

- heel wat mensen in de omgeving van de oven hebben gezond-

heidsklachten.

ů ô

 

Bij de afwijzing op 8 maart 2001 van de door appellanten aangevoerde

bezwaren argumenteerde de Minister als volgt :

 

ôů

overwegende dat de aangehaalde bezwaren vermoedelijk voortko-

men uit problemen die de werking van de verbrandingsoven in het

verleden heeft gekend; dat bij navraag bij de afdeling Milieu - in-

spectie en de dienst Leefmilieu van de stad Sint - Niklaas kan ge-

steld worden dat er op dit ogenblik geen overschrijdingen van de

opgelegde normen meer worden vastgesteld;

 

overwegende dat de bezwaren aangehaald door de beroepsindie-

ners slaan op de exploitatie van de huisvuilverbrandingsinstallatie,

waarvoor door de bestendige deputatie de nodige vergunningen

werden afgeleverd en waarvoor de administratieve beroepstermijn

verstreken is;

 

overwegende dat de bedoelde vervanging van steunbranders de

werking van de huisvuilverbrandingsinstallatie enkel zal verbete-

ren;

 

overwegende dat gesteld kan worden dat de risicoĺs voor de exter-

ne veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wate-

ren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt

door de gevraagde exploitatie, mits naleving van aangepaste mi-

lieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen

worden beperkt;

 

overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep on-

gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen.ö

 

(zie stuk 21 in het dossier van ge´ntimeerde)

 

Het Hof stelt vast dat n.a.v. het door appellanten ingesteld beroep o.m.

adviezen werden uitgebracht door de Openbare Afvalstoffenmaat-

schappij op 21 november 2000, door de afdeling Preventieve en Sociale

Gezondheidszorg van de administratie Gezondheidszorg van het de-

partement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur op 23 november 2000,

door de Vlaamse Milieumaatschappij op 23 november 2000, door de af-

deling Milieuvergunningen van de administratie Milieu-, Natuur-, Land-

en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur op 18

december 2000 en door de Gewestelijke Milieuvergunningcommissie op

22 december 2000.

 

Alle adviezen waren zonder uitzondering gunstig voor ge´ntimeerde.

(zie pagina 4 van stuk 21, ibidem)

 

12.2.

Appellanten stellen op pagina 5 van hun appelakte dat niet te controle-

ren valt of uitsluitend het door de vergunning toegelaten huishoudelijk -

en bedrijfsafval door ge´ntimeerde wordt verbrand.

 

Appellanten leveren voor het Hof geen sluitend bewijs, noch brengen zij

ernstige aanwijzingen aan dat ge´ntimeerde ander dan door de exploita-

tievergunning toegestaan afval verbrandt.

 

De door ge´ntimeerde thans voorgelegde stukken m.b.t. het door de be-

trokken gemeentelijke overheden gevoerde beleid op het vlak van GFT

en van selectieve inzameling worden door appellanten niet ter discussie

gesteld.

(zie de stukken 23 en 26 in het dossier van ge´ntimeerde)

 


12.3.

Uit hetgeen onder 12.1. en 12.2 werd uiteengezet volgt dat appellanten

voor het Hof niet bewijzen noch aannemelijk maken dat ge´ntimeerde

kennelijke inbreuken pleegt op de milieuwetgeving sensu lato.

 

In die omstandigheden wordt hun vordering tot sluiting van de door

ge´ntimeerde geŰxploiteerde installatie voor zover gestoeld op ken-

nelijke inbreuken als ongegrond afgewezen.

 

13.

Gelet op het preventieve luik in het artikel 1 van de wet van 12 januari

1993 moet door het Hof ook worden nagegaan of er geen ernstige drei-

ging bestaat voor een inbreuk op ÚÚn of meer bepalingen van wetten,

decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de be-

scherming van het leefmilieu.

 

Er kan vooreerst geen betwisting over bestaan dat ook op ge´ntimeerde

de algemene voorzorgsnorm van toepassing is .

 

Waar ge´ntimeerde op pagina 34 van haar eerste appelconclusies be-

vestigt dat de inachtneming van de volksgezondheid een absolute prio-

riteit moet zijn voor de wetgever en voor de uitvoerende machtĺ, geldt die

prioriteit uiteraard ook voor haarzelf.

 

Op heden bestaat geen absolute zekerheid dat de exploitatie van een

huisvuilverbrandingsoven geen enkel gezondheidsrisico inhoudt voor de

omwonenden.

 

Diverse wetenschappelijke studies evenals het daarover quasi-

permanent gevoerd maatschappelijk debat tonen aan dat het een deli-

cate en controversiŰle aangelegenheid betreft.

(zie de stukken 9, 17, 23, 28, 29, en vooral 37 en 38, in het dossier van

appellanten, en in het dossier van ge´ntimeerde een VITO - studie van

september 2000 (stuk 201, uitgevoerd in opdracht van de VMM, en het

Ĺbehoedzaam en genuanceerdĺ antwoord van de Vlaamse Minister van

Welzijn, Gezondheid en Gelijke kansen (stuk 24) op een parlementaire

vraag van 9 februari 2001)

 

14.

Met toepassing van het in de milieuwetgeving opgenomen Ĺbeginsel van

het preventief handelenĺ en Ĺvoorzorgbeginselĺ, heeft de bevoegde over-

heid in artikel 4 C 22 b) van de op 13 augustus 1998 verleende vergun-

ning aan ge´ntimeerde o.m. het volgende opgelegd:

 

ô

De exploitant dient er steeds voor te zorgen dat binnen alle afdelin-

gen van zijn bedrijf de beste technologieŰn worden aangewend ter

voorkoming of beperking van emissies. Bij de keuze van de best

beschikbare technologie moeten de hierna vermelde punten bijzon-

der in aanmerking worden genomen:

 


-         De noodzaak het totale effect van de emissies op het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;

-         technologische vooruitgang en verandering in wetenschappelijke kennis en inzichten;

-         de termijnen voor de toepassing ervan in zowel nieuw als bestaande inrichtingen;

-         de aard en de omvang van de emissies;

-         de toepassing van de technologie waarbij weinig of geen afval wordt geproduceerd.

 

In dit kader dient jaarlijks een rapport opgemaakt met beschrij-

ving van de op dat ogenblik beschikbare technologie voor

rookgaszuivering (tot maximale beperking van de emissies en

immissies).

 

Dit rapport dient tevens te vermelden welke bijkomende maat-

regelen effectief zullen genomen worden, gekoppeld aan uitvoe-

rings termijn en.

 

Het rapport dient overgemaakt aan de vergunningverlenende

overheid, de AMINAL - afdelingen milieuvergunningen en mi-

lieu-inspectie te Gent, het college van burgemeester en Sche-

penen en de OVAM.ö

 

(zie de verwijzing door ge´ntimeerde op pagina 219 van het BBT- rapport

MI-WA van 2000 - stuk 15 van haar dossier)

 

15.

Ge´ntimeerde dient aan het Hof meer duidelijkheid te verschaffen

over de diverse stukken die zij onder nr. 15 heeft samengebracht.

 

In laatste appelconclusies verwijst ge´ntimeerde naar het BBT-rapport

van 12 juli 2000, hoewel de geciteerde passus uitsluitend te lezen valt in

het rapport van 13 augustus 1999.

 

De onder nr. 15 door ge´ntimeerde neergelegde stukken zijn:

 

15a: twee bewijzen van een aangetekende zending van 26 augustus ĺ99;

15b: twee bewijzen van een aangetekende zending van 26 augustus ĺ99;

15c: de begeleidende brief dd. 24 augustus 1999 bij het BBT-rapport 1999;

15d: het BBT-rapport (3 bladzijden) van 13 augustus 1999 met op pagi-

na 1 de handgeschreven vermelding 1998 en 1999;

15e: het niet gedateerd BBT-rapport (9 paginaĹs) met op pagina 1 de

handgeschreven vermelding 1999 en 2000.

 

Er zijn frappante verschillen tussen het BBT-rapport van 13 augustus

1999 (3 paginaĺs) en het daaropvolgend BBT-rapport (9 paginaĺs) dat

geen precieze datum vermeldt doch hoe dan ook moet dateren van nÓ

juni 2000 (zie pagina 5/9).


Ge´ntimeerde dient tevens mee te delen wanneer zij het BBT-

rapport van 2000 aan de diverse instanties heeft verstuurd.

Zo mogelijk moet ge´ntimeerde ook haar BBT-rapport van het lo-

pende jaar voorleggen.

 

Het is voor een goed begrip van de zaak eveneens noodzakelijk dat

de door de N.V. MIPLAN gemaakte voorstudie de dato 17 augustus

1999 m.b.t. de rookgassenzuivering DENOx-installatie waarnaar

ge´ntimeerde verwijst in extenso zou worden voorgelegd en dat

ge´ntimeerde zou meedelen of er navolgende studies werden ge-

maakt, hetzij door de N.V. MIPLAN, hetzij door een ander studiebu-

reau.

(zie stuk 12 in het dossier van ge´ntimeerde)

 

16.

Waar er in het BBT-rapport van 1999 geen sprake was van DENOx -

systemen, komen deze in het BBT-rapport van 2000 ruim aan bod:

 

-         3.5. Technologische vooruitang en verandering in wetenschappelijke kennis en inzichten: Toetsing van MI-WA aan deBBT

 

-         3.5.1. Technologie

Na installatie van verschillende DeNox-systemen op huisvuil-

verbrandingsinstallaties in Vlaanderen (een SNCR versie in

1999 te Wilrijk (ISVAG) en een SCR-versie in 2000 (IVAGO) kan

deze technologie als ôtoegepastö worden beschouwd en is een

investering hiervoor duidelijk aan te raden.

Een eerste vergelijkende studie tussen de verschillende tech-

nische principes (SCR en SNCR) is in opdracht gegeven aan

een ingenieurs-bureau.

 

-         3.5.2. Beschikbaarheid

De SNCR-versie is wegens zijn eenvoudig technisch principe

aan een goede kwaliteit/prijs verhouding beschikbaar. Ook de

studie van de financiŰle situatie door de bedrijfsrevisor laat toe

deze investering op korte tijd te plannen.

 

-          3.5.3. Emissies

De installatie voldoet globaal gezien nu reeds aan de emissie-

normen. Een bijkomende investering in een DeNox-systeem

vergroot alleen de veiligheidsmarge tussen emissies en emis-

sienorm.

-         ....

(zie de paginaĺs 719 en 819 van stuk 15 in het dossier van ge´ntimeerde)

 

17.

Op pagina 7 van haar eerste appelconclusies - neergelegd op 13 no-

vember 2000 - schrijft ge´ntimeerde:


ôAnticiperend op eventuele nieuwe strengere milieunormen laat

ge´ntimeerde nu reeds permanent studiewerk verrichten omtrent

nieuwe technologieŰn. Op dit ogenblik wordt een voorstudie uitge-

voerd door een studiebureau voor een DENOx-installatie voor

rookgassenzuivering.

Ge´ntimeerde verwijst daarbij naar haar stuk 12 dat de bladzijden I

en 2 bevat van een voorstudie Ĺ Rookgassenzuivering DENOx-in-

stallatieĺ die dateert van 17 augustus 1999. ô

 

Getoetst aan de BBT-voorwaarden in artikel 4 C 22 b van de milieuver-

gunning van 13 augustus 1998, en in acht genomen haar eigen bevin-

dingen in het BBT-jaarverslag van 2000, kan in redelijkheid niet anders

geconcludeerd worden dan dat op ge´ntimeerde de stringente verplich-

ting rust een zo groot mogelijke veiligheidsmarge in acht te nemen.

 

Een dergelijke verplichting is een toepassing van het Ĺbeginsel van het

preventief handelenĺ dat voorschrijft dat men moet optreden om milieu-

schade te voorkomen eerder dan de schade achteraf te moeten herstel-

len.

 

Evenzeer is een dergelijke verplichting een toepassing van het Ĺvoor-

zorgbeginselĺ dat betekent dat men niet moet wachten op een weten-

schappelijke consensus om bepaalde potentiŰle gevaren voor het milieu

en voor de volksgezondheid aan te pakken.

 

Ge´ntimeerde kan niet zonder het verwijt te krijgen van inconsistentie

eensdeels voorhouden dat haar initiatief om bijkomende investeringen te

doen teneinde de emissienormen nog meer naar beneden te brengen

bewijst dat zij aldus haar afvalverbrandingsinstallatie als een goed huis-

vader beheert en zij aldus het zorgvuldigheidsbeginsel ten volle res-

pecteert, en tezelfdertijd stellen dat het appellanten niet behoort na te

gaan of die bewering met de werkelijkheid overeenstemt en dat daarover

desgevallend geen rechterlijke controle kan plaats vinden.

 

Appellanten zijn als omwonenden gerechtigd op een adequate en zo

groot mogelijke bescherming van hun gezondheid.

Een daarbij aansluitende rechterlijke controle kadert in de preventieve

werking van de wet van 12 januari 1993.

 

Die controle slaat op de door ge´ntimeerde aangewende middelen ter

voorkoming van milieuschade, en op de vraag of het gaat om de Ĺbest

beschikbare techniekenĺ zoals haar door de vergunningverlenende over-

heid dwingend werd opgelegd.

 

Indien ge´ntimeerde niet scrupuleus de verplichtingen naleeft die haar

door de vergunningverlenende overheid worden opgelegd, d.i. in casu

het aanwenden van de Ĺbest beschikbare techniekenĺ om het totale effect

van de emissies op het milieu te voorkomen of tot een minimum te be-

perken, is dit gelijk te stellen met een ernstige dreiging zoals bedoeld in

artikel 1 van de wet van 12 januari 1993.

 


18.

Ge´ntimeerde verwijst in haar op 1 maart 2001 neergelegde appelcon-

clusies naar een eerstvolgende raad van bestuur waarop de plaatsing

van het DENOx-systeem zal worden besproken, rekening houdende met

de desbetreffende toekomstige Europese Richtlijnen.

 

Het is aangewezen dat ge´ntimeerde het Hof daarover nader zou in-

formeren, en dat zij haar dossier zou vervolledigen met de notulen

van alle sinds 1 maart 2001 gehouden administratieve en techni-

sche vergaderingen waarbij deze kwestie ter sprake is gekomen.

 

Meer bepaald dient ge´ntimeerde het Hof te informeren of zij de be-

slissing dergelijke filters t e plaatsen al dan niet reeds heeft geno-

men.

In het bevestigend geval dient ge´ntimeerde mee t e delen wanneer

die filters zullen geplaatst worden en in werking gesteld.

In het ontkennend geval dient ge´ntimeerde mee te delen welke de

motieven zijn om het niet t e doen.

 

19.

Gelet op de door partijen tot op heden ingenomen standpunten en op

hetgeen hierboven werd uiteengezet, vindt het Hof het aangewezen om

een persoonlijke verschijning te bevelen vooraleer ten gronde te beslis-

sen.

 

Om proceseconomische redenen dient ge´ntimeerde alle hierboven ge-

vraagde informatie te voegen bij haar dossier.

Ook moet ge´ntimeerde alle nieuwe stukken tijdig aan appellanten mee-

delen.

 

De dossiers van beide partijen dienen twee weken voor de datum van de

persoonlijke verschijning ter griffie worden neergelegd.

 

OP DIE GRONDEN,

 

HET HOF,

 

Rechtdoende op tegenspraak en met inachtneming van artikel 24 van de

wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

 

Verklaart het principaal en het incidenteel beroep ontvankelijk.

 

Vooraleer ten gronde te oordelen,

 

Beveelt de persoonlijke verschijning van partijen in de raadkamer

van de zeventiende burgerlijke kamer van het Hof van beroep te

Gent (Koophandelsplein 23 t e 9000 Gent, Gerechtsgebouw, lokaal

4bis) op dinsdag vier september 2001 t e 14.30 uur.

 

Beveelt dat voor zevende appellante de huidige voorzitter van haar

raad van beheer zal verschijnen.

 

Beveelt dat voor ge´ntimeerde de huidige voorzitter van haar raad

van bestuur zal verschijnen evenals haar directeur Rudy Verlaeckt.

 

Beveelt partijen twee weken vˇˇr de persoonlijke verschijning hun

geactualiseerde dossiers ter griffie van het Hof neer te leggen.

 

Houdt de beslissing nopens de kosten aan.

 

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof

van beroep te Gent, ZEVENTIENDE KAMER, zitting houdende in bur-

gerlijke zaken, van ZESENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN EEN.

Aanwezig de heren:

D.Vandorpe, Raadsheer, Wn. Kamervoorzitter, alleenrechtsprekend,

B. Caignau, Griffier.

D. Vandorpe

 

Rep.2001/3329

Aangeboden op 28 juni 2001