HET RECHT OP EEN GEZOND LEEFMILIEU

Bestaat er in België zoiets als een recht op een gezond leefmilieu. Of nog kennen we hier een dergelijke bepaling die we voor een rechter zouden kunnen inroepen om zo een gezond leefmilieu af te dwingen?

 

NATIONALE RECHTSREGELS

 

Recht op gezond milieu rechtstreeks

Hebben we een nationale regel, een Belgische rechtsregel die ons expliciet zoiets garandeert.

Het antwoord is neen. Er is in België juridisch althans nergens uitdrukkelijk een dergelijke regel vastgelegd.

 

Recht op gezond milieu onrechtstreeks

 

Sinds 1994 hebben we in onze Belgische Grondwet nochtans wel het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu in artikel 23. Dit artikel luidt meerbepaald :

 

Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

     Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige

     plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

     Die rechten omvatten inzonderheid :

     1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat

     onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke

     arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;

     2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand;

     3° het recht op een behoorlijke huisvesting;

     4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;

     5° het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing.

 

Men heeft dus niet recht op een gezond milieu doch wel de bescherming van een gezond milieu. De nadruk ligt dus op de overheid die een zekere prestatieplicht heeft.[1] Er wordt aangenomen steunend op de parlementaire voorbereiding en op de bewoording van de bepaling dat ze geen rechtstreekse werking heeft.[2]*

 

Dit betekent nochtans niet dat de bepaling geen enkele waarde zou hebben. Alleszins heeft ze een oriënterende werking heeft: dit is het overheidsbeleid sturen, richting geven, zonder weliswaar in beginsel afdwingbaar te zijn wegens te vaag en onomschreven[3].

 

 Verder wordt aangenomen dat art. 23 ook een standstill-effect zou scheppen.[4] Anders gezegd mag de overheid geen afbreuk doen aan het bestaande beschermingsniveau. *

 

“.. dat uit het voorgaande blijkt

dat door de bestreden bepaling de bescherming van de

mens en het leefmilieu tegen de hinderlijke effecten van

de exploitatie van omlopen voor motorvoertuigen wordt

afgebouwd; dat, zoals reeds gezegd, wil dergelijke

regeling verenigbaar zijn met artikel 23 van de Grond-wet,

daartoe dwingende redenen moeten worden opgegeven;

dat noch uit het administratief dossier, noch uit het

door de verwerende partij gevoerd verweer het voorhanden

zijn van dergelijke redenen kan worden ontwaard; dat het

middel ernstig is “

 

Soms vindt men rechtspraak waar nog verder wordt gegaan. In het bijzonder denk ik allereerst aan twee arresten van de Raad van state één van 5 oktober 1994 en één van 20 augustus 1999. Waar artikel 23 wordt gehanteerd om het moeilijk te herstellen ernstig nadeel te voldoen.

 

* Considérant qu’il ressort des documents versés aux

débats que l’influence des champs magnétiques induits par

une ligne à haute tension fait l’objet de controverses

dans les milieux médicaux; qu’il n’appartient pas au

Conseil d’Etat de trancher une telle controverse; qu’il

peut seulement constater qu’il existe des éléments permet-tant

raisonnablement de suspecter un risque pour la santé,

quand bien même les normes existant en cette matière

seraient largement respectées, comme l’indique l’interve-nante;

que si ce risque ne peut être affirmé avec certi-tude

comme l’indique la partie adverse, il ne peut non

plus être exclu; que pour que le Conseil d’Etat puisse

suspendre un acte attaqué, le préjudice ne doit pas être

certain; qu’il suffit que le risque de préjudice soit

plausible; qu’il en va ainsi en l’espèce; que le risque en

cause menace à la fois le droit à la protection de la

santé protégé par l’article 23, alinéa 3, 2°, de la

Constitution et le droit à la protection d’un environne-ment

sain protégé par le 3° du même alinéa; qu’ayant trait

à des droits fondamentaux, le préjudice dont le risque

doit être considéré comme établi est grave; qu’il est, par

nature difficilement réparable;

 

Dit laatste is ook bijzonder interessant omdat het eigenlijk, voor het eerst zeer duidelijk, zij het niet uitdrukkelijk het voorzorgsbeginsel hanteert bij de afweging. Het voorzorgsbeginsel betekent dat preventieve maatregelen moeten worden genomen, of bepaalde handelingen niet mogen worden genomen, indien er redelijke gronden tot bezorgdheid bestaan voor verontreiniging, zelfs in de gevallen waar er geen  overtuigend bewijs is van een oorzakelijk verband tussen de voorgenomen activiteit en de schadelijke gevolgen.[5] Tweede opmerking hierbij is dat hier ook de rechtstreeks de link wordt gelegd met  art. 23 , 1° (bescherming gezondheid).

 

Tot slot is er nog rechtspraak (slechts enkele arresten, bovendien meestal van voor 1994) waar daadwerkelijk wordt gesproken van een subjectief recht op een gezond leefmilieu.

In bepaalde concrete gevallen waar er buitensporige hinder is of milieubelasting zou men concreet optreden kunnen eisen van de overheid om maatregelen ten nemen/ of zich te onthouden van bepaalde handelingen ter bescherming van het milieu.[6]

 

 

INTERNATIONALE RECHTSREGELS

 

Recht op een gezond milieu

 

Niettegenstaande de grote aandacht op internationaal niveau voor het milieu en de talrijke internationale verdragen, is er alsdusdanig nergens een recht op een gezond milieu. Wel zijn er princiepsverklaring zoals de verklaring van Stockholm van 16 juni 1972 in het kader van de Verenigde Naties aangenomen waar werd gezegd:o.m. “ man has the fundamental right to freedom , equality and adequate conditions of life , in an environment of a quality that permits a life of dignity and well being” Juridisch gezien heeft dit echter geen enkele bindende waarde.

 

Recht op een gezond leefmilieu onrechtstreeks

 

We beperken ons terzake tot één van de belangrijkste en meest ingeroepen verdragen nl. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens kortweg EVRM genoemd. Dit Verdrag waarbij ook België partij is bevat een aantal fundamentele mensenrechten , die rechtstreeks kunnen worden ingeroepen voor de Belgische rechter en desnoods kunnen worden aangeklaagd bij het europees Hof voor de rechten van de mens.* Hoewel er in het EVRM geen milieurechten zijn voorzien kan men gebruikmakend van de rechten die daar wel zijn opgenomen toch (onrechtstreeks) een bescherming van het milieu bekomen.[7] Meerbepaald via o.m.  art. 2, 3, 8 en 10 EVRM. Nodig is dan dat  de milieuhinder of bedreiging een inbreuk veroorzaakt op één van die gewaarborgde rechten.

 

Twee voorbeelden :

 

Artikel 2 en 3

 

Artikel 2 garandeert het recht op leven, artikel is het verbod van foltering “ niemand mag  worden onderworpen  aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.

Geen succesvolle zaken tot nog toe maar er wordt aangenomen dat deze artikelen bruikbaar zijn in geval van zeer ernstige milieuaantastingen of levensbedreigende omstandigheden en men het Europees Hof ervan zou kunnen overtuigen dat de Staat deze rechtstreeks zou hebben veroorzaakt of althans maatregelen had moeten nemen om dit te voorkomen.[8]

 

Artikel 8

 

Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven..

 

Wel succesvolle zaken vb. de zaak Lopez-Ostra:

Feiten een afvalverwerkingsinstallatie gebouwd naast een huis. Grote, ondraaglijke, geurhinder. De overheid had onvoldoende (efficiënte) maatregelen genomen opdat het recht van mevrouw lopez zoals gewaarborgd in art. 8 EVRM zou zijn gewaarborgd.

 

[1] J. THEUNIS, Het grondrecht op de bescherming van een gezond leefmilieu in Commentaar milieurecht, Brugge, Die keure, 1996, 13; zie ook K. RIMANQUE, De Grondwet toegelicht, gewikt en gewogen, Antwerpen, Intersentia, 1999, 56; N DE SADELEER, “ Quelles balises pour le juge “ in Les juges et la protection de l’environment, Brussel, Bruylant, 226.

[2] Gedr. St. Senaat, B.Z., 1991-1992, 100-2/3, 4 en 11

[3] J. THEUNIS, l.c., 14

[4] J. THEUNIS, l.c., 15 

[5] Zie hierover : N. DE SADELEER, “Het voorzorgsbeginsel: een stille revolutie”, T.M.R., 1999, 82-99; I. LARMUSEAU, Het voorzorgsbeginsel geïntroduceerd in de Belgische rechtspraak: zoveel hoofden, zoveel zinnen?, T.M.R., 2000, 24-32.

[6] J. THEUNIS, l.c., 26.

[7] Zie hierover G. MAES, “Grondrechtenbescherming en het leefmilieu”, A.J.T., 1999-2000, 829-835; A. SHERLOCK F. JARVIS, “ The European Convention on Human Rights and the Environment”, E.L.R., 1999, 15-29.

[8] ; A. SHERLOCK F. JARVIS,l.c., 19.

 

Steven Van Garsse

fellow

faculty of law

University of Antwerp

Belgium

fax 03/820 29 40

tel 03/820 29 31

stevenvg@hotmail.com

stevenvg@uia.ua.ac.be