Wet betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu

(Wet van 12.01.1993)

 

Met de wet van 12 januari 1993 kunnen nu ook milieuverenigingen die aan bepaalde voorwaarden voldoen voor de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg de staking vorderen van handelingen die een kennelijke inbreuk zijn op de milieuwetgeving of een ernstige dreiging vormen voor deze inbreuk.

 

Deze wet, die in werking trad op 01.03.1993, biedt een oplossing voor de moeilijkheden die de milieuverenigingen ondervonden wanneer ze bij de burgerlijke rechter maatregelen vorderen ter bescherming van het leefmilieu.  Het Hof van Cassatie had namelijk in een arrest van 19.11.1982 gesteld dat een vordering niet ontvankelijk is wanneer de eiser geen persoonlijk en rechtstreeks belang aantoont; optreden ter bescherming van een algemeen belang was dus quasi onmogelijk geworden.

 

1.   Inleiding - situering

 

De problematiek van het vorderingsrecht van milieuverenigingen dient, voor een beter begrip van deze wet, kort geschetst te worden.

 

De traditionele rechtspraak stelt dat een vereniging slechts over een vorderingsrecht voor de gewone rechtsmachten beschikt, indien zij voldoet aan volgende ontvankelijkheids-voorwaarden :

 

q       rechtspersoonlijkheid

q       belang

q       hoedanigheid (wat ik niet afzonderlijk bespreek)

 

1.1.   rechtspersoonlijkheid – Wat is rechtspersoonlijkheid ?  Rechtspersoonlijkheid is een hoedanigheid waardoor men een afgescheiden entiteit/vermogen gaat vormen; men krijgt die hoedanigheid uit kracht van de wet.

 

In de regel kan een groepering niet in rechte optreden wanneer ze niet over de rechts-persoonlijkheid beschikt.  Bij gebreke hieraan zullen de individuele leden de vordering moeten instellen (bij mijn weten is hierop slechts 1 uitzondering : werknemersorganisaties)

 

1.2.   belang – Volgens art. 17 & 18 Ger.Wb. moet de eiser een reeds verkregen en dadelijk belang hebben om een rechtsvordering in te dienen.   De rechtspraak heeft hieraan toegevoegd dat het belang bovendien persoonlijk en rechtstreeks moet zijn.

 

Volgend praktisch onderscheid moet evenwel worden gemaakt :

 

- een vordering wordt ingesteld door een groepering die zich enkel beroept op het algemeen belang; dit is wat men noemt de actio popularis waarbij de eiser enkel inroept dat de wet dient geëerbiedigd te worden en toegepast te worden.    Deze actio popularis wordt door de rechtspraak verworpen; de Wet van 12.01.1993 over het vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu verandert daaraan niets.

 

- een vordering wordt ingesteld door een groepering die zich beroept op de schending van haar subjectief recht; zij treedt dus op ter verdediging van datgene wat haar bestaan, materiële of en morele goederen, eer en goede naam raakt.

 

In dit geval is er nooit een probleem van ontvankelijkheid geweest; ook niet voor de Wet van 12.01.1993.

 

- een vordering wordt ingesteld door een groepering ter verdediging van een algemeen belang (bv. zuivere lucht, het recht op leven, …) of ter verdediging van de collectieve belangen van haar leden.

 

Het Hof van Cassatie stelt dat zulke vorderingen onontvankelijk zijn bij gebreke aan een eigen belang, ook indien deze collectieve of algemene belangen het statutair doel van de vereniging zijn (arrest Eikendael en arrest Neerpede blijft).

 

Om dit probleem te ondervangen was er wettelijk ingrijpen vereist.

 

Vooraf was dit reeds het geval met de Wet inzake rassendiscriminatie.

 

Het is op dit vlak dat de Wet van 12.01.1993 heeft ingegrepen.

 

Hierdoor kunnen thans milieuverenigingen mits te voldoen aan een aantal voorwaarden in rechte optreden.

  

 

2.   Wie kan de vordering instellen

 

2.1.   Dat zijn, in de eerste plaats, de milieuverenigingen mits zij, zoals gezegd, voldoen aan een aantal voorwaarden.

 

De Wet vermeldt vijf (5) voorwaarden waaraan een vereniging moet voldoen om een stakingsvordering te kunnen inleiden.

 

1.          Alle voorschriften van de VZW Wet naleven

2.          De vereniging moet de bescherming van het leefmilieu tot doel hebben

3.          In haar statuten moet de vereniging het grondgebied omschreven hebben tot waar haar bedrijvigheid zich uitstrekt

4.          De vereniging moet sedert ten minste drie jaar rechtspersoonlijkheid bezitten

5.          De vereniging moet kunnen bewijzen dat er een werkelijke bedrijvigheid is die overeenstemt met haar statutair doel

 

2.2.   In de tweede plaats is de stakingsvordering ook bestemd voor de Prokureur des Konings; het praktische nut van deze bepaling is gering; vroeger werd nog aangenomen dat het feit dat ook aan het Parket een vorderingsbevoegdheid was gegeven nog kon worden verantwoord door het feit dat hij zo ook kon optreden tegen rechtspersonen, wat hij strafrechterlijk niet kon.

 

Maar sinds de Wet op de invoering van de strafrechterlijke aansprakelijkheid van rechtspersonen is ook die noodzaak verdwenen.

2.3.    In de derde plaats, maar zeker niet onbelangrijk, is het vorderingsrecht voorbehouden aan de Administratieve overheden.

 

Wie zijn dat ?   Dat zijn alle organen van het nationaal, communautair, gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk bestuur die belast zijn met een openbare dienst en die geen deel uitmaken van de rechterlijke of wetgevende macht, met dien verstande dat het hier dan moet gaan om overheden die bevoegd zijn inzake leefmilieu.

 

Op het eerste zicht interesseert ons dit niet vanuit ons kader.

 

Maar vergis U niet.   De gemeente is één van ‘de administratieve overheden’ die kunnen ageren.   Er is nu een bepaling in de nieuwe gemeentewet die toelaat dat één of meer inwoners van een gemeente in rechte optreden namens de gemeente wanneer het college van burgemeester en schepenen in gebreke blijft.

 

Men moet dus bewijzen dat de gemeente niet optreedt en moet een bepaalde zekerheid stellen voor de kosten.  En men moet uiteraard inwoner zijn van de betreffende gemeente.

 

De mogelijkheden voor een individuele burger zijn ongekend sinds de rechtspraak vrij unaniem is gaan aanvaarden dat art. 271 NGW kan worden gecombineerd met de stakingsvordering.

 

 

 

3.   KENNELIJKE INBREUK

 

 

De Wet kan worden toegepast wanneer er een kennelijke inbreuk of een ernstige dreiging voor een inbreuk bestaat op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu.

 

KENNELIJK

 

-         geen wettelijke omschrijving

-         geen eensgezindheid in rechtspraak;

-         wil dit zeggen dat weinig belangrijke feiten geen aanleiding kunnen geven tot een vordering tot staking ? (zie parlementaire voorbereiding) – maar lijkt in strijd met feit dat de rechter aan ‘belangenafweging’ moet doen; het is dan toch zeer vreemd dat een rechter nog eens aan belangenafweging moet doen (tussen economie en ecologie) wanneer er voorafgaand al een selectie is gebeurd; bovendien verdient elke zaak rechtsbescherming, ook de meest minieme.   Kleine belangen toegang tot het gerecht verhinderen komt neer op rechtsweigering.

-         of wil dit zeggen dat men vooral moet kijken naar de gevolgen die de inbreuk heeft op het milieu; als de inbreuk slechts minieme of geen gevolgen heeft voor het leefmilieu, zou er aldus geen stakingsvordering kunnen worden ingeleid (bijvoorbeeld een vergund afvalstort waar wordt nagelaten op een uithangbord de identiteit van de exploitant kenbaar te maken – deze overtreding van wat men een louter administratief voorschrift zou kunnen noemen zou dan geen aanleiding kunnen geven tot een stakingsvordering; de exploitatie van hetzelfde stort zonder het nemen van de nodige maatregelen ter voorkoming van omgevingspollutie in strijd met de milieuvergunning duidelijk wel).

-         of  staat ‘kennelijk’ gelijk met een zekere en duidelijke inbreuk (meerderheid in de rechtspraak) ?

 

[bijvoorbeeld : verbouwen zonder vergunning van aardappelschuur tot restaurant werd beschouwd als een kennelijke inbreuk op de Wet op de Stedenbouw; nochtans wordt hierdoor niet direct schade toegebracht aan het leefmilieu; het is wel een duidelijke inbreuk]

 

4.    Welke maatregelen kan de Voorzitter nemen ?

 

Indien de rechter een kennelijke inbreuk op de milieuwetgeving vaststelt, kan hij de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen;  indien hij een ernstige dreiging voor zo’n inbreuk vaststelt, kan hij maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu.

 

De rechter die het bestaan van een kennelijke inbreuk of een ernstige dreiging voor een inbreuk vaststelling, moet dus niet noodzakelijk de staking bevelen.  De Wetgever wenste de rechter een zekere speelruimte te geven in de gevallen waarin de staking van een handeling zou neerkomen op de stopzetting van elke economische bedrijvigheid.  Daarom bepaalt de Wet ook dat de rechter de overtreder een termijn kan toestaan om aan de opgelegde maatregelen te voldoen.

 

De rechter kan geen schadevergoeding toekennen.    Op afgeleide manier kan de eiser toch een bepaalde vergoeding bekomen (wanneer de maatregel die wordt bevelen wordt opgelegd onder verbeurte van een dwangsom en die dwangsom wordt niet nageleefd dan komt de verbeurde dwangsom ten gunste van de eiser die dan na aftrok van de kost een netto-baat overhoudt).

 

De rechter kan in beginsel ook geen herstelmaatregelen bevelen (enkel staking).

 

Nochtans werd door de toenmalige staatssecretaris voor leefmilieu de stelling verdedigd dat bij milieumisdrijven, die voortdurende misdrijven zijn, zoals het aanleggen van een stort zonder vergunning, de stopzetting van de onwettige daad onvermijdelijk zou impliceren dat herstel in de vorige toestand wordt bevolen, omdat dit de enige manier zou zijn om de onwettigheid te doen staken.   Amendementen die op dit punt meer duidelijkheid hadden kunnen scheppen werden verworpen.    Volgens de tekst van de Wet lijkt het opleggen van herstelmaatregelen slechts mogelijk in zoverre deze maatregelen in bepaalde omstandigheden zouden kunnen worden gekwalificeerd als maatregelen ter voorkoming van verdere schade aan het leefmilieu.

   

5.   VARIA

 

- het is een procedure ‘zoals in kort geding’ dwz volgens de pleegvormen van het kort geding (verkorte dagvaardingstermijn, bevoegdheid van de Voorzitter) maar het is een procedure ten gronde (in tegenstelling met gewoon kort geding waarbij de uitspraak nooit geen nadeel toebrengt aan de zaak ten gronde) – dit houdt ook in dat geen urgentie (geen hoogdringendheid) is vereist.

 

- omkering van regel dat de strafprocedure voorrang krijgt

 

- staking van een vergunde activiteit : is dit mogelijk ? ja – via grondwettelijkheidstoets (art 159 Gec.Grondwet) : interne en externe wettelijkheid van de vergunning.

 

 

BESLUIT

 

Hamme, 10 juni 2000.

 

Hans Van Dooren

Advocaat

Stationsstraat 50

9220 HAMME (O-VL)

tel : 052/47.99.49

fax : 052/47.16.41

hans.vandooren@pi.be

 

 

 

Vlaams Platform Milieu en Gezondheid
www.milieugezondheid.be