oktober 2001

 

 

Aan de Vlaamse Gemeenschapsminister van leefmilieu, natuurbehoud en landinrichting

Mw. Dua Vera

Kabinet van Minister Dua

Alhambra

Emile Jacqmainlaan 20

1000 Brussel

 

Beroep tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen, houdende het verlenen van de vergunning aan de nv INDAVER B, gevestigd aan de Poldervlietweg z.n. te 2030 Antwerpen, voor het veranderen, door uitbreiding, van een bestaand en vergund industrieel afvalverwerkingsbedrijf, gelegen op de percelen kadastraal bekend onder Beveren (Kallo), afdeling 8, sectie A, nrs. 100d en 100e, aan de Molenweg z.n. – Haven 1940 te 9120 Beveren Waas (Kallo).

 

Bijlagen :

-         betalingsbewijs dossiertaks

-         attest van aanplakking

 

Inzake de beroepsmogelijkheden zijn we wettelijk verplicht beroep aan te tekenen bij de Vlaamse regering, vertegenwoordigd door de gemeenschapsminister van leefmilieu, natuurbehoud en landinrichting, bestuur milieuvergunningen.  Inzake dit beroepschrift willen we er op wijzen dat zowel de Vlaamse Regering, afgevaardigd door de minister van leefmilieu, als de adviesverlenende overheden OVAM  (openbare Vlaamse afvalstoffen maatschappij) (advies van 15 juni 2001) en VMM (Vlaamse Milieumaatschappij) (advies van 21 juni 2001) betrokken partij zijn in dit dossier.  De Vlaamse Regering is via de Vlaamse Milieuholding overheidsaandeelhouder van INDAVER B.  OVAM en VMM zetelen in de Raad van Bestuur van INDAVER B. namens de Vlaamse regering.  In deze context wordt het recht op een onafhankelijke behandeling van dit beroepsschrift geschaad. 

 

Wij doen opmerken dat de vergunningverlenende overheid – en dus ook U als bevoegde minister in het kader van huidig beroep – op elk ogenblik (en dus a fortiori in het kader van de behandeling van een uitbreidingsaanvraag) de (basis)vergunningsvoorwaarden kan wijzigen of aanvullen.

 

Wij verwijzen hiertoe naar het basiswerk 'Overzicht van het Belgisch Milieurecht', 4de editie 1999, auteur W. Lambrechts, Kluwer, 1999.

 

Prof Lambrechts schrijft in zijn handboek (pag. 164, in fine) :

 

 "Een milieuvergunning zal in ieder geval de algemene en sectorale voorwaarden moeten eerbiedigen die voor iedereen gelden die in een bepaalde bedrijfssector actief is.   Maar daarnaast kan de vergunningverlenende overheid bijzondere voorwaarden opleggen  met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu.  

   

Het is zelfs mogelijk om in de lopende vergunning opgelegde voorwaarden te wijzigen of aan te vullen".

 

Hij verwijst hiertoe naar twee wettelijke bepalingen :

 

a. Art. 21 van het Milieuvergunningsdecreet : 'de bevoegde overheid kan steeds bij gemotiveerde beslissing, ambtshalve of op verzoek van de adviesverlenende overheidsorganen van de exploitant van de personen bedoeld in art. 24 par. 1, 5de, (i.e. elke natuurlijke of rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden, alsook elke rechtspersoon die zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het leefmilieu dat door deze hinder kan worden getroffen), de door haar opgelegde vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen.    Behalve wanneer zij zelf het initiatief tot wijziging of aanvulling heeft genomen, wordt vooraf het advies van de door de Vlaamse overheid aangeduide overheidsorganen ingewonnen.

De bevoegde overheid is diegene die in eerste aanleg bevoegd is., tenzij een hogere overheid één of meer van de lopende vergunningen heeft verleend of de vergunningsvoorwaarden ervan heeft gewijzigd.   In dat geval is deze hogere overheid bevoegd.

Indien na aanmaning door de Vlaamse Regering de bevoegde overheid, niet of onvolkomen optreedt, of indien er ernstig gevaar dreigt voor de mens en het leefmilieu, kan de Vlaamse Regering de vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen' (art. 45 §5 VLAREM 1)

 

b.  Art. 45 Vlarem I : 'De overheid die de laatste lopende vergunning heeft verleend of de milieuvergunningsvoorwaarden heeft gewijzigd, kan bij gemotiveerde beslissing de in de lopende definitieve vergunning(en) opgelegde voorwaarden wijzigen of aanvullen : 

    - ambtshalve

    - op verzoek van de in art. 20 vermelde adviesorganen in zoverre deze bevoegd zijn voor adviesverlening mbt bedoelde inrichting

    - op verzoek van de exploitant

    - op verzoek van elke natuurlijke of rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks     hinder kan ondervinden

    - op verzoek van elke rechtspersoon die zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het leefmilieu dat door de hinder tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting kan worden getroffen.

 

Volgens §5 van art. 45  VLAREM 1 kan de Vlaamse minister de vergunningsvoorwaarden ambtshalve wijzigen of aanvullen indien na aanmaning door de Vlaamse minister de bevoegde overheid niet, of onvolkomen optreedt, of indien er ernstig gevaar dreigt voor de mens en het leefmilieu.

 

(*) Zowel de milieuvergunning [rubriek C. Bijzondere Milieuvoorwaarden - punt 22 b) : 'de exploitant dient er steeds voor te zorgen dat binnen alle afdelingen van zijn bedrijf de beste technologieën worden aangewend ter voorkoming of beperking van emissies] als VLAREM II [art. 4.1.2.1. VLAREM II met definiëring van het begrip in art. 1.29 VLAREM I] voorzien in de verplichting voor de exploitant om bij de uitbating steeds gebruik te maken van de 'best beschikbare technieken'.

 

Deze voorwaarde wordt in casu zwaar met de voeten getreden.

 


 

Volgens art. 23 van de grondwet heeft ieder het recht een menswaardig leven te leiden.

 

De vergunningverlenende overheid kan, overeenkomstig art. 20 van het milieuvergunningsdecreet, onverminderd de bepalingen van dezelfde wetten, decreten en uitvoeringsbesluiten bij het verlenen van een vergunning bijzondere voorwaarden opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu.

 

Volgens art. 48 kan de Vlaamse minister bij gemotiveerd besluit te allen tijde, welke ook de klasse van de inrichting is, de vergunning volledig of gedeeltelijk schorsen of opheffen, indien de bevoegde overheid in het geval bedoeld in art. 47,§1, niet of onvolkomen optreedt.

 

Dat er door de exploitatie van de nieuwe afvalverbrandingsinrichting van INDAVER B. in de nabijheid van een woonomgeving ernstig gevaar dreigt voor de mens en het leefmilieu is overduidelijk. 

 

De bewering bij de overwegingen van de Bestendig Deputatie in het vergunningsbesluit, waarin gesteld wordt dat de eventuele hinder afkomstig van de inrichting dient ondervangen te worden door het opleggen van passende exploitatievoorwaarden, is zeer vaag en onvoldoende uiteengezet en gemotiveerd.  Hoe men in de toekomst een “een gezond leefmilieu” gaat garanderen wordt niet uiteengezet.  Nochtans is een gezond leefmilieu een grondwettelijke recht.

 

Op 23 augustus 2001 heeft de Bestendige Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen aan

INDAVER B een vergunning verleend voor het veranderen, door uitbreiding, van een bestaand en vergund industrieel afvalverwerkingsbedrijf. 

 

Het betreft hier de bouw van een nieuwe bijkomende afvalverbrandingsinstallatie met een capaciteit van 466.000 ton/jaar.

 

Op deze plaats werkt reeds een afvalverbrandingsinstallatie met een capaciteit van 350.000 ton /jaar.  (vergund 29 juni 1995 en 7 mei 1998).

 

Het huishoudelijk afvalstoffenplan van de Vlaamse regering voorziet in de afbouw van 200.000 ton/jaar afvalverbrandingscapaciteit in Vlaanderen.  Tot op heden werd enkel de afvalverbrandingsoven te Lokeren gesloten met een capaciteit van ong. 25.000 ton/jaar.  In plaats van de afvalverbrandingscapaciteit in Vlaanderen verder af te bouwen wordt met de bouw van deze nieuwe afvalverbrandingsinstallatie de afvalverbrandingscapaciteit in Vlaanderen niet verminderd maar in het totaal vermeerderd met 441.000.  De bouw van deze nieuwe afvalverbrandingsinrichting is in strijd met het Vlaamse afvalstoffenplan.

 

De overheid heeft momenteel nog geen duidelijke beleidsnota over het hoogcalorisch afval en het slib.  Dit is nochtans vereist volgens de EG richtlijn 91/689/EEG.  Vooraleer deze studie niet af is, en men niet duidelijk weet of er nog bijkomende capaciteit nodig is, en welke soort verwerkingscapaciteit er nodig is voor het verwerken van hoogcalorisch afval en slib, kan de overheid geen vergunning toekennen aan een bijkomende afvalverbrandingsinrichting in Vlaanderen.  Deze studie dient gemaakt te worden door een niet betrokken partij. (Niet door

OVAM en/of INDAVER en/of VMM).

 

Trouwens het in de milieuvergunning vermelde hoog calorisch afval omvat niet alleen restfractie dat overblijft na scheiden en gisten maar omvat heel wat industrieel afval waaronder opgewerkt shredderafval, tapijtafval, restfractie wit- en bruingoed, bedrijfsafval, textielafval, restfractie bouwafval en selectieve sloop, houtafval, technisch rubber waaronder teermastiek en rubberbanden. Dit afval mag niet verbrand worden zonder dat er bewezen wordt dat er geen andere milieuvriendelijkere verwijderingstechnieken bestaan of kunnen ontworpen worden.  Trouwens voor de verwerking van tapijt-, textiel- en houtafval bestaan er reeds recyclingtechnieken.

 

Het nu bouwen van een bijkomende afvalverbrandingsinstallatie in Vlaanderen zal jarenlang de verwerkingsmethode voor afval hypothekeren.  De bouw van een wervelbedoven wordt immers aangevat vóór de bouw van bv. grootschalige scheidings- en gistingsinstallaties.  Dit kan op zijn minst heel vreemd genoemd worden.  Hoe kan men de hoeveelheid hoog calorisch afval juist inschatten (afval dat overblijft na scheiden en vergisten) als deze installaties nog niet werken, zelfs nog moeten gebouwd worden?  De bouw van bijkomende verbrandingscapaciteit zal ook afvalpreventie ontmoedigen.  De oplossing van het afvalprobleem wordt nu gezocht in produceren en verbranden.  Hoe meer geproduceerd wordt, hoe meer er zal verbrand worden.  De oplossing wordt nu zeker niet meer gezocht bij het vermijden van afval.  Als de nieuwe oven gebouwd wordt, zal deze moeten gevoed worden.  Waarom nog een preventie doen als de afvalverbrandingsinrichtingen in Vlaanderen niet op volle capaciteit werken?  Of wil men in Vlaanderen buitenlands afval gaan verbranden?

 

De nieuwe afvalverbrandingsoven komt in plaats van de afgewezen afverbrandingsovens te Drogenbos (200.000 ton/jaar en van Fabricom in de Gentse kanaalzone (120.000 ton/jaar).  Hierbij willen we aanmerken dat nu reeds op linkeroever 350.000 ton/jaar wordt verbrand bij INDAVER, naast de private industriële afvalverbrandingsovens op linkeroever.  Een bijkomende afvalverbrandingscapaciteit, op dezelfde plaats,  met 466.000 ton is milieu-hygiënisch totaal niet verantwoord.

 

De nieuwe afvalverbrandingsinstallatie wordt ingeplant tussen andere vervuilende bedrijven op het linkeroever gebied.  De impact van al deze bedrijven samen op de fauna, flora en gezondheid van mensen en kinderen wordt in het MER niet behandeld.  Hierdoor bestaat er geen duidelijk zicht op de gezondheidseffecten die de bouw van een nieuwe afvalverbrandingsinstallatie op deze plaats zou kunnen veroorzaken.

 

Het bouwen en exploiteren van afvalverbrandingsinrichtingen is bedoeld als alternatief voor het storten van afval.  Een afvalverbrandingsinrichting biedt geen oplossing voor het storten van afval.  Wat een afvalverbrandingsinrichting doet is het comprimeren van het afval, maar bij dit proces worden er ook een hele reeks toxische stoffen bijgemaakt.  Daarenboven heeft men veel bijkomende toxische stoffen nodig om de filterinstallatie te laten werken.  Het gecomprimeerde afval, de nieuwgevormde toxische stoffen, de toxische stoffen nodig om de filterinstallatie te laten werken en toxische stoffen onttrokken  aan de rookgassen worden allen gestort!  Daarenboven heeft men geen controle over de toxische stoffen die uit de schoorsteen komen.  De wind speelt met deze stoffen en bepaalt waar deze zullen neerkomen.  Tijdens en na het verlaten van de schouw kunnen deze stoffen reageren met andere stoffen.  In het linkeroevergebied hangen heel wat stoffen in de lucht waarmee kan gereageerd worden.  Op deze wijze ontstaan nieuwe toxische stoffen vb PAK’s, die niet gemeten worden in de oven of in de schouw, maar die wel ontstaan en neerkomen  op plaatsen waar mensen wonen of verblijven.

 

Artikel 130 R, alinea 2 van het EG-Verdrag en artikel 1.2.1 52 van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid huldigen het zogenaamde preventie- en voorzorgzsbezinsel, dat er onder meer in bestaat dat de overheid maximaal maatregelen neemt teneinde het hoogst mogelijke niveau van milieubescherming te realiseren.

 

De artikelen 4 en 5 van de Richtlijn 75/442/EG van 15 juli 1975, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EG van 18 maart 1991, voorzien ten eerste dat het verwijderen van afvalstoffenmoet gebeuren zonder risico's voor mens, leefmilieu en natuur, en ten tweede dat bij het creëren van een net van afvalverwijderingsinstallaties gebruik moet gemaakt worden van de "best be-

schikbare technologieën", beginsel dat in het algemeen ook is bepaald in het Vlarem II-besluit, en artikel 5, 1" van het Vlaamse Afvalstoffendecreet verplicht de overheid in de eerste plaats om de productie van afvalstoffen te voor komen of te verminderen.

 

De Belgische overheid heeft dit jaar mede de POP’s-Overeenkomst getekend.  Deze overeenkomst heeft tot doel afspraken te maken om de dioxines te bannen.  De bouw van deze nieuwe afvalverbrandingsoven is volledig in tegenstrijd met deze overeenkomst.  Door deze overeenkomst te ondertekenen verklaart België zich ook akkoord met het substitutie-beginsel.  Dit wil zeggen dat het bedrijf zelf de meest  milieuvriendelijke technieken moet gebruiken én dat er geen andere milieuvriendelijkere technieken bestaan.  Noch in het aanvraagdossier, noch in het MER, wordt op voldoende wijze aangetoond dat de wervelbedoven de best beschikbare techniek is voor het verwerken van hoog calorisch afval of voor het verwerken van slib.  Recentere ingeburgerde technieken zoals thermolyse en pyrolyse worden niet afgewogen tegenover de techniek van de wervelbedoven.  Hierbij is het totaal niet duidelijk of wel degelijk de best beschikbare techniek wordt toegepast.  Het is in deze OVAM die beweert in zijn advies dat de aangevraagde installatie zowel volgens BBT-slibverwerking als volgens de BBT-restfractie de BBT is.  We willen hier nogmaals opmerken dat OVAM zetelt in de raad van bestuur van INDAVER B. namens de Vlaamse Overheid.  Het advies van OVAM is dan ook niet onafhankelijk.

 

Dat de pyrolyse-techniek bestaat bewijst volgende opsomming van enkele operationele pyrolyse-ovens :

 

 

Project Name/Location

 

Client

 

Capacity MT/day

 

Commercial Operation Date

 

Scope of Responsibility

 

Types of Waste Processed

 

Contraband Destruction Facility - Huntsville Ala. and San Diego, CA

 

US Customs Svce and US Drug Enforcement Agency

 

10 tpd

 

June, 2000

 

Engr/design/start-up and operations

 

Organic and In­organic contraband (i.e. illegal drugs), Freon.

This is the first of an expected six additional units

 

Medical and hazardous Waste Treatment Plant, Huntsville, Alabama

 

US Dept of Energy Lawrency Livermore Nat'1 Lab and USIC

 

l0 tpd

 

Plant under construction Expected operation May, 2001

 

Engr/design/mfr/ Construction and Start­up/ O&M

 

Medical Wastes and solid, organic hazardous wastes

 

Hydrogen Sulfide Cracking Plant

 

GAZPROM

 

1000 cu. meters per hour

 

1989

 

Engr/design/mfr/

 

Hydrogen Sulfide from well drilling operations

 

Panama City, Florida MSW project

 

PWCC

 

500 tpd

 

July, 2000 Construction Operation -1st Quarter, 2002

 

Engr/design/mfr/ Construction and O&M

 

MSW and other industrial/hazardous Wastes

 

Plasma Applications Group, Rialto CA

 

Waste Tire Co-generation

 

7 tons per hour (170 mt per day)

 

In design stage, construction permit received, commercial operation in mid-2002

 

Engr/design/ Constrction

 

Crumb Rubber from Waste Tires

 

Rapid Base Deployment Plasma Waste Treatment Facility

 

US Air Force and Georgia Tech University Tindall Air Force Base

 

7 tons per day

 

In design, prototype under construction

 

Engr/design/ Fabrication/

 

Conventional and hazardous solid wastes generated. Facility to be extremely mobile

 

PEAT Facility, Huntsville,. Ala

 

Part of SUI/PWC family

 

1 ton per hour (25 tpd)

 

Operating

 

Engr/design/constr And O&M .

 

Solid hazardous wastes and asbestos

 

 

 

Ook de plasma-technologie werd niet afgewogen tegenover de wervelbedoven-technologie :

 

“APPLIED PLASMA TECHNOLOGIES “APT is keen to contribute to a new environmentally sustainable economy, as a replacement for a resource destructive production system and a throw-away consumerism, which have led to accumulation of wealth for one fifth, and to below human dignity living conditions for another fifth of the world population.  The restoration of sound ecosystems as a matter of urgency requires a fundamental change in the energy production and consumption patterns.

 

A plasma torch is a tool, whereby a controlled electrical current is carried by an ionised gas, and develops temperatures as high as 20.000° C.  This tool is compact, uses clean energy (electricity) and is the only tool capable of dissociating simultaneously any organic or inorganic material in its components without polluting effect.

A plasma reactor, equipped with one or more plasma torches, allows to recover up to 99 % of the energy, contained in the organic fraction of any product.

 

The product submitted to thermal treatment by a plasma reactor can be in a liquid, gaseous or liquid form.  It can be a fossil fuel, a manufactured product, a by-product, or a waste.

 

Waste has a negative connotation: a product without value, a debris, a left-over of an agricultural or industrial activity.  Some wastes represent a hazard: medical and hospital waste, toxic by-products from industrial processes, and, to a large extent, household waste. What is generally described as a “waste” or a “refuse” is a by-product, whose life cycle ends where the life cycle of the principal product begins”.

 

In punt 2 van bijlage III van richtlijn 97/11/EG van 3 maart 1997, tot wijziging en aanvulling van Richtlijn 85/337/EG van 27 juni 1985 inzake de milieueffectenrapportering, wordt de verplichting opgelegd om bij de locatie bepaling van hinderlijke activiteiten die gebieden te ontzien waar de vastgelegde milieukwaliteitsnormen reeds zijn overschreden en waar een grote bevolkingsdichtheid bestaat.

 

Artikel 22 van het milieuvergunningsdecreet legt tenslotte aan elke exploitant op om, ongeacht verkregen administratieve toelatingen, steeds maximaal maatregelen te treffen en voorzorgen te nemen om hinder voor mens en leefmilieu te beperken.

Het voorzorgs- en preventiebeginsel, zoals dit o.a. is vertaald in bovenstaande bepalingen, is van rechtstreekse toepassing, en kan door een rechter op verzoek van belanghebbenden gehanteerd worden als toetssteen voor de evaluatie van hinderlijke activiteiten, zoals recentelijk de procedure (ook overeenkomstig de wet van 12 januari 1993) inzake de sluiting van de afvalverbrandingsoven van de intercommunale ISVAG te Wilrijk heeft aange-

toond (Rb. Antwerpen, kort ged., 2 februari 1999, niet ceo.).

 

De plannen om de nieuwe afvalverbrandingsoven van INDAVER B te Beveren te

bouwen en op te starten druisen in tegen deze normen, om volgende redenen :

 

Onder de definities "luchtverontreiniging" van artikel 1.1.2 van het Vlarem II-besluit wordt de naburige gemeente Zwijndrecht gekwalificeerd als één van de "speciale beschermingszones" in Vlaanderen, waar de te verwachten toename van de luchtverontreiniging ten gevolge van

stedelijke en industriële ontwikkelingen moet beperkt of voorkomen worden.

 

De toepassing van het voorzorgs- en preventiebeginsel vereist dat hiermee rekening wordt gehouden bij de keuze van de inplantingsplaats voor dergelijke oven, om verdere luchtvervuiling in het gebied te voorkomen.  Temeer de inplanting van de nieuwe afvalverbrandingsinstallatie gelegen is in onmiddellijke de nabijheid van twee natuurgebieden : het Galgenschoor en de linker Scheldeoever.

 

Ook deze vaststelling rechtvaardigt een toepassing van het voorzorgs- en preventiebeginsel, opdat aan de verdere vervuiling van deze regio’s en gebieden wordt gestopt. 

 

- De gebruikte technologie (wervelbedoven) beantwoordt niet aan de best beschikbare en haalbare alternatieven (artikel 4.1.2.1 van het Vlarem 11-besluit). Zo wordt genegeerd dat andere, veel milieuschonere, en niet noodzakelijk duurdere technieken beschikbaar

zijn, die niet enkel in het buitenland, doch ook reeds in België van toepassing zijn (doorgedreven scheiding, vergisting, thermolyse, pyrolyse), en waarvan het Vlaams Parlement bij resolutie van 20 januari 1998 beslist heeft dat aan de implementering daarvan absolute voorrang moet gegeven worden.


Ook binnenlandse en buitenlandse deskundigen vanuit

meerdere medische disciplines zijn dit standpunt toegedaan (zie het belangwekkende gezamenlijke standpunt van vier professoren van de U.I.A. en later van 22 binnen- en buitenlandse universiteitsprofessoren het advies van de Nederlandse Professor Copius Peereboom, het standpunt van 17 vooraanstaande ethici-moraalfilosofen van alle Vlaamse

universiteiten, een studie van het VITO van februari 1998), en zelfs de beleidsverantwoordelijken tot de bevoegde minister zelf leggen nu verklaringen in die richting af.

 

De bouw en exploitatie van een nieuwe wervelbedoven te Beveren zou onverantwoord zijn in het licht van het moratorium dat de minister zelf injuli 1998 heeft afgekondigd voor nieuwe ovens, beslissing die precies ge-motiveerd was door de noodzaak om alternatieve verwerking technie-ken ernstig te onderzoeken.  Dit moratorium werd ook herhaald in de regeringsverklaring van juni 1999.

 

Het in het milieu-effectenrapport uitgetekende luchtverspreidingsmodel en de daarop gebaseerde dispersieberekening voor verontreinigende stoffen zijn onnauwkeurig, gezien geen rekening werd gehouden met het effect van de nabijheid van de koeltoren van de kernenergiecentrale Doel, en met name en vooral de aanzienlijke wolk waterdamp die deze produceert.  Deze zou kunnen zorgen voor een soort oneigenlijke rookwassing, gevolgd

door een onmiddellijk "uitregeningseffect" van de schadelijke stoffen.

 

Bovenstaande elementen vormen evenvele kennelijke schendingen van normen die de bescherming van het leefmilieu beogen, of betekenen minstens een ernstige bedreiging daarvoor.  Op grond hiervan vragen wij dat de beslissing van de Bestendige Deputatie met betrekking tot de bouw van de nieuwe afvalverbrandingsinstallatie van INDAVER B zou vernietigen.

 

De gezondheidsgevolgen voortvloeiend uit de werking van afvalverbrandingsovens werden in talrijke internationale rapporten wetenschappelijk vastgesteld.  Eén van de meest gevaarlijke stoffen die de oven verlaten is fijn stof.  Fijn stof wordt ook in de nieuwe generatie afvalverbrandingsovens weinig of niet gefilterd.  De mazen van de mouwenfilters zijn te groot om dit fijn stof tegen te houden.  Heel wat giftige stoffen hechten zich vast aan fijn stof.  Fijn stof kan tot diep in de longen van de mensen doordringen, waardoor deze toxische stoffen rechtstreeks in de bloedbaan doordringen en kinderen en mensen vergiftigen.

 

De bestaand milieunormen moeten worden herzien.  Zolang deze normen niet herzien zijn kan men geen ernstige risico-evalutaties doen omtrent de gezondheidseffecten van een afvalverbrandingsoven. 

 

De Commissie Milieu en Gezondheid van het Vlaams Parlement kwam dit jaar tot het besluit dat de bestaande milieunormen volledig zouden moeten worden herzien om ze af te stemmen op de bescherming van de kwetsbare groepen in de samenleving.   Nu zijn de normen op basis van  gezondheidseffecten afgestemd op normale, gezonde volwassenen.  De commissie vindt ook dat milieu- en  gezondheidsnormen aangepast moeten worden aan de toegenomen wetenschappelijke kennis. Verder wil ze dat de emissienormen gebied per gebied kunnen worden aangepast, bijvoorbeeld aan de vervuiling van een bepaald bedrijf. 


De Milieu- en Gezondheidscommissie wil ook dat de overheid een pro-actief milieubeleid zou voeren, dat gezondheidseffecten moet nagaan voor er klachten optreden.  De commissie kwam er na het grootschalig milieu- en gezondheidsonderzoek dat de Vlaamse regering heeft laten   

Uitvoeren.

 

Het eindrapport van het onderzoek “Milieu en Gezondheid” 2001 geeft duidelijk de gezondheidsgevolgen van verbrandingsovens weer op de gezondheidstoestand van de omwonenden.  Vb. Wilrijk en Isvag-oven, Hoboken en de metalurgie, Peer en de oven van Houthalen.

 

De luchtkwaliteit in de omgeving van de nieuw in te planten INDAVER afvalverbrandingsoven (linkeroever gebied) behoort volgens de vaststellingen van de Vlaamse Milieu Maatschappij tot de meest vervuilde regio in Vlaanderen. Wat bepalend is voor de gezondheid van de omwonenden is niet zozeer de uitstoot concentratie van giftige stoffen per m³ maar de totale neerslag van toxische stoffen.  De neerslag van toxische stoffen in het linkeroever gebied is reeds onaanvaardbaar hoog.  Nu reeds komen er heel wat milieu-gerelateerde gezondheidsproblemen voor bij de omwonenden van het linkeroevergebied.  Een verdere belasting van het milieu zullen deze gezondheidseffecten alleen maar exponentieel doen toenemen.

 

De nota van Belgisch milieuspecialist Dr Pluygers Eric, Rue Jean Stobbaerts 81 b, 1030 Brussel schetst duidelijk de mogelijke gezondheidsrisico’s van afvalverbrandingsovens waaronder zeker ook de wervelbedafvalverbrandingsinrichting van Beveren behoort.  

 

“LES DIOXINES (et substances apparentées) ONT-ELLES UN IMPACT SUR LA SANTE HUMAINE ?

 

Le scandale de la dioxine contaminant divers produits alimentaires réinstalle tristement à l’ordre du jour le problème de l’impact potentiel, sur la santé humaine, de l’exposition à de faibles concentrations de dioxines, un problème déjà soulevé antérieurement dans le cadre des installations et extensions proposées d’incinérateurs d’ordures ménagères, gros émetteurs de dioxines et de métaux lourds, notamment de plomb et de mercure. Les conseils de prudence et les mesures de précaution préconisés par les spécialistes indépendants qui s’étaient penchés sur ces questions (et dont font partie les auteurs de cet article) avaient été balayés par les affirmations péremptoires d’ (( experts )) déclarant que l’exposition aux

dioxines ne constituait pas un risque majeur pour la santé publique, la seule certitude étant que (( seule la chloracne‘ (affection dermatologique tenace généralement bénigne) représente une manifestation chnique attribuable aux dioxines, en cas d’exposition à forte dose’ u. Et la désinformation se poursuit. «Rien n’autorise en effet d établir une association formele entre l’exposition à faible dose de l’homme aux dioxines et la mortahté, un désordre hépatique chronique, une maladie immunitaire, cardio-vasculaire,neurologique, des mafformations congénitafes’, ... etc ».  Ailleurs il est affirmé qu’il n’existe aucune preuve que l’exposition aux dioxines augmente le risque de cancer.

 

Le même type d’informations est à nouveau diffusé à l’occasion de l’actuelle contamination

alimentaire, et ceux qui attirent l’attention sur les risques potentiels (mais réels) encourus par les couches les plus vulnérables de la population c’est-à-dire les jeunes enfants, les nouveau-nés et les fœtus exposés dès avant leur naissance dans le ventre de leur mère, sont accusés de semer la panique dans la population.

 

I1 semble dès lors utile de resituer le problème dans son contexte scientifique réel, à la lumière des données -nombreuses- qui sont actuellement disponibles. Premièrement, tout le monde est d’accord pour déclarer qu’aucun effet aigu et facilement perceptible ne doit être attendu : les dioxines ne sont pas des poisons directs et ne produisent pas d’effet visible, excepté la chloracné en cas d’exposition massive. Deuxièmement, cette absence d’effet visible immédiat ne signifie pas qu’il n’y a pas d’effet : simplement,celui-ci se déroule à I’échelon cellulaire et va entraîner une série de modifications fonctionnelles dont les effets ne vont devenir apparents que beaucoup plus tard -généralement des années, et parfois à la

génération suivante ou même à la troisième génération. Parmi ces effets, on peut signaler : la stimulation de certains enzymes qui peuvent accroître le pouvoir cancérigène d’autres polluants ; l’activation d’oncogènes et de facteurs de croissance impliqués dans la prolifération cellulaire -intervenant donc dans la formation des cancers-; des altérations du métabolisme cellulaire, notamment sur le terrain hormonal,entraînant une perturbation de l’équilibre hormonal’. Troisièmement, nombre de ces effets -par exemple les troubles du développement- ne s’observent que chez les sujets en période de croissance et sont

totalement inobservables chez l’adulte. De plus, l’exposition à des doses très faibles (en raison de l’absence de seuil d’activité) pendant des fenêtres temporelles brèves peut déjà entraîner des conséquences majeures, évidemment tout à fait inobservables chez l’adulte.

 

I1 résulte de ces observations que l’extrapolation simple des effets constatés chez l’adulte, à l’enfant –et surtout aux fcetus et nouveau-nés-, conduit à des conclusions inacceptables. Passons en revue quelques uns des effets observés, à la lumière de publications récentes.

 

Carcinogénicité

 

L’extension à quinze ans de suivi de la population exposée lors de la catastrophe de Seveso montre une élévation globale du risque de cancer de l’ordre de 40%. Elle porte principlement sur ies cancers de l’appareil digestif, les cancers de l’appareil lymphoïde et du système hématopoïétique (qui concerne l’hématopoïèse, c’est-à-dire la formation des hématies, ou globules rouges, par le foie -chez l’embyon- et par la moelle des os. NdR); ((l’accroissement observé est associé à l’exposition à la dioxine écrit Bertazzi, responsable de 1’étude3.

A Trieste (Italie) l’exposition aux émissions de l’incinérateur municipal entraîne un risque 2,6 fois plus élevé de développer un cancer du poumon, par rapport aux habitants du centre-ville. Une intéressante étude a été effectuée en Russie à Chapayevsk (Est, Province de Samara) : la mortalité par cancer est 1,3 fois plus élevée que la moyenne russe et 1’4 fois plus élevée que la moyenne américaine, avec une incidence x 1,5 pour les cancers du poumon et x 2,1 pour les cancers du larynx. L’espérance de vie est raccourcie de 2,3 années chez les hommes et de 1’9 années chez les femmes. La teneur en dioxine dans les dérivés du lait est considéré comme le premier facteur responsable4. Enfin, il convient de signaler qu’un comité d’experts réuni par les soins du Centre International de Recherche sur le Cancer (CIRC-

IARC) à Lyon a conclu que la 2,3,7,8-Tetrachloro-dibenzo-p-dioxine (dioxine de Seveso) est cancérigène pour l’homme’.

 

Effets non-carcinogènes

 

Ces effets découlent du mécanisme d’action des dioxines (et molécules apparentées : furannes et PCB-polychloro biphényles) et surviennent à des niveaux qui sont souvent de 1 à 2 ordres de grandeur inférieurs à ceux induisant des effets carcinogènes. Les foetus et enfants y sont très sensibles.

 

Signalons en premier lieu les effets sur la reproduction : fréquence plus grande d’avortements spontanés, mais aussi prématurité, mortalité périnatale plus élevée, faible poids à la naissance.

 

Des troubles du développement de I’embyon et du jeune enfant sont également rapportés et

semblent assez fréquents au niveau des membres (au Vietnam, après exposition à l’Agent Orange [défoliant contaminé par des dioxines], à la deuxième et à la troisième génération), de l’appareil génital sous forme d’hypospadias (absence de soudure de l’urètre au niveau de la verge), de l’appareil urinaire.  L’expérimentation animale laisse entrevoir la possibilité d’effets au niveau de la face (fentes palatines).

 

D’un intérêt particulier sont les effets sur le développement du système nerveux, qui consistent principalement en troubles fonctionnels résultant d’une rupture des voies synaptiques normales avec, comme conséquence, une altération des fonctions cognitives et un retard intellectuel qui peut être évalué par une batterie appropriée de tests. Plusieurs études très poussées sont disponibles, notamment chez la cohorte Yu-Cheng à Taiwan, dont les mères avaient été exposées aux PCB présents dans l’huile de cuisson du riz7. Les enfants nés jusqu’à 6 ans après l’exposition de leur mère présentaient les mêmes retards que ceux nés immédiatement après l’intoxication maternelle. Des troubles du comportement sont

également rapportés.

 

Le dérèglement des fonctions endocriniennes fait également partie de la panoplie d’effets

provoqués par les dioxines, furannes et PCB. Bertazzi3 note un risque plus élevé de diabète et

l’hypothyroïdie est couramment signalée’. Cette dernière interviendrait dans la neurotoxicité des dioxines lors des phases initiales du développement et l’administration de thyroxine pourrait neutraliser ces effets’.

 

Cette revue de quelques uns des effets non-carcinogènes des dioxines (et molécules apparentées) serait incomplète sans mentionner sa très importante action immunotoxique. En fait, de tous les systèmes de l’organisme, c’est le système immunitaire qui apparaît à la fois le plus sensible et le plus précocement atteint. Les observations ne manquent pas, à commencer par l’intoxication de Times Beach (Missouri,USA), survenue en 1971-1973. La population a été exposée (par voie externe) à de l’huile contaminée par des PCB et les dioxines ; suite à la persistance d’effets immunotoxiques, la plage a été évacuée en

1983. L’atteinte consistait en une diminution des lymphocytes T circulants (responsables de l’immunité cellulaire), avec diminution des lymphocytes CD4 helper»)./ et élévation des CD8 suppressor») avec, comme conséquence, un abaissement du rapport CD4/CD8, dont les valeurs inférieures à 1correspondent à une immunodéficience, et les valeurs supérieures à 2,25 à une réaction hyper-immune,prédisposant aux allergies et aux maladies auto-immunes. Ces modifications sont encore observées après 9 à 14 ans chez des enfants exposés in utero, ou après leur naissance’.

 

Tout aussi intéressantes sont les observations de Dewailly et collaborateurs chez les nouveau-nés Inuit du Nord-Québec, de plus en plus fréquemment victimes de maladies infectieuses (otite moyenne) causées par une déficience immunitaire (chute du rapport CD4/CD8), elle-même causée par une contamination alimentaire du lait maternel par des dioxines.


On peut rapprocher de ces études nos propres observations (en cours de publication), montrant des altérations immunologiques (déficiences, hyper-immunité) chez une proportion importante (jusqu’à 50%) des habitants de la région du Centre, exposés à des concentrations importantes de dioxines et d’autres polluants organiques (voir Atlas de l’air en Wallonie). C’est ce que nous avons appelé un état de « SIDA chimiqueé » , touchant environ 30% de la population dans certaines zones.

 

Parmi les effets combinés d’immunotoxicité et d’altérations hormonales, signalons encore la grande fréquence de l’adénomyose parmi les femmes exposées.

 

Conclusions

 

Au vu de toutes ces données, qu’il est impossible de développer de manière plus exhaustive ici, faute de place, mais dont la matérialité est confirmée par des travaux sérieux et contrôlés, il est surprenant de constater que certains (( experts )) affirment que les dioxines (( n ’excercenf pas d’effet majeur sur la santé humaine >). Et d’invoquer que l’exposition se fait à des concentrations tellement faibles, de l’ordre du picogramme (pg), c’est-à-dire du millionième de millionième de gramme, que leur effet est négligeable et que, de toute manière, ces concentrations sont inférieures aux seuils découlant des (( normes )) en rigueur.

 

C’est oublier trois choses : d’abord le mécanisme d’action des dioxines n’implique aucun effet de seuil ; les spécialistes de la question s’accordent à ce sujet et le CIRC-IARC a entériné leurs conclusions : « une molécule du complexe Ligand ( = polluant)-récepteur peut déjà produire une modification dans l’expression d’un gène, théoriquement (car non mesurable ). . Cela signifie, deuxième point important, qu’aucune dose foumie n’est acceptable et que la seule norme admissible est la norme zéro. Toutes les normes (10-541 pg) dont on discute et auxquelles on est censé se conformer sont des normes de convenance qui n’ont aucune valeur scientifique. De toutes les (( normes )) officiellement en vigueur, une

seule est basée sur l’analyse scientifique du mécanisme d’action des dioxines : c’est celle de I’EPA (Agence pour la Protection de l’Environnement) aux Etats-Unis, et elle se situe à 0,0064 pgkg de poids par jour, c’est-à-dire de 160 à 1.600 fois plus bas que les  normes européennes, qui sont totalement dénuées de la moindre valeur scientifique mais permettent de poser des limites (arbitraires) dans le cadre des réglementations. Enfin, il ne faut pas perdre de vue que ces normes -déjà critiquables en elles-mêmes- se rapportent à des adultes en bonne santé et ne tiennent absolument pas compte de la sensibilité beaucoup plus grande des sujets jeunes, spécialement pendant les phases initiales de leur développement, pas plus qu’elles ne tiennent compte des polymorphismes génétiques (qui peuvent faire varier la sensibilité individuelle dans des proportions qui vont de 1 à 1000), ni des effets de synergie suite à des interactions avec d’autres polluants et contaminants (nous sommes tous exposés à des polluants multiples inter-agissant entre eux).

 

Pour ces diverses raisons, l’impact des dioxines sur la santé humaine ne peut être alablement évalué que par le recours au biomonitorage, portant sur l’analyse d’un certain nombre de paramètres appropriés directement parmi les populations exposées. Kopponen (et d’autres) ont d’ailleurs établi que l’évaluation par biomonitorage montrait toujours des résultats nettement supérieurs à ceux découlant des calculs théoriques, ces demiers ne prenant pas en compte un certain nombre de molécules, ni les effets sunergiques.

 


Un point d’importance contribuant à augmenter l’impact des dioxines sur la santé est la longue persistance de ces molécules (et substances apparentées) et leur non-biodégradabilité : toute quantité fixée dans l’organisme (principalement au niveau du tissu adipeux) aujourd’hui, y restera définitivement en raison de son absence quasi totale d’élimination, d’une bio-dégradation quasi nulle,Suite à des expositions antérieures (incinérateurs, industrie) chacun de nous possède donc un «captial-dioxine» pratiquement immuable, auquel toute nouvelle exposition ne peut qu’apporter de nouvelles « parts de capital ». Ceci n’est pas sans conséquences. La charge moyenne actuelle de la population

belge est estimée à 2 picogrammes par kilo de poids corporel. Sur la base des données de l’EPA américaine, un tel «capital » peut être tenu pour responsable du développement de 2000 cas de cancer parmi l’ensemble de la population belge, avec des pointes beaucoup plus importantes chez les personnes résidant à proximité des sources polluantes. Tout ce qui viendra s’y ajouter, que ce soit par l’alimentation, par l’industrie, par les incinérateurs -notamment d’ordures ménagères- ne pourra que faire gonfler ce chiffre. Si l’on invoque le respect de nouvelles normes (( plus sévères )), il faut se souvenir que

la seule norme acceptable est la norme zéro.

 

Et il faut savoir que les effets non-carcinogènes des dioxines (et apparentés) surviennent à des concentrations beaucoup plus faibles que les cancers, et peuvent dès lors toucher des dizaines de milliers de personnes de manière sournoise et sans qu’un lien de cause à effet soit nécessairement établi avec une exposition aux dioxines. N’oublions pas non plus que ces effets vont principalement toucher les enfants, éventuellement seulement à la deuxième ou même troisième génération, et représenter dès lors une menace dont l’étendue ne peut pas être appréciée actuellement. Confrontés à des effets souvent ténus et toujours sournois, mais lourds de menaces potentielles à long terme, nous ne pouvons absolument pas nous satisfaire d’une attitude -basée sur des données obsolètes-qui nierait tout ce qui n’est pas directement visible ou perceptible. I1 est urgent de mettre en place une commission de vigilance composée d’experts compétents dans les divers domaines où la toxicité des dioxines peut se manifester. De plus, le principe de précaution implique la suppression de toute source évitable de dioxines, associée à un suivi médical approprié des populations qui ont pu être antérieurement exposées.

20 juin 99

 

Eric Pluygers est docteur en médecine, cancérologue, écotoxicologue et membre du groupe pilote CDSM sur les «Biomarqueurs de carcinogenèse »

 

Omdat wij vinden dat het voorzorgsbeginsel inhoudt dat eerst moet bewezen worden dat de gezondheid van onze kinderen niet geschaad wordt door de bouw en exploitatie van deze nieuwe afvalverbrandingsoven vragen we een blootstellingsonderzoek bij mensen en kinderen die wonen en verblijven in de neerslagzone van het linkeroevergebied.  Pas dan kan men de effecten kennen van de toxische stoffen die op het linkeroevergebied vrijkomen.  Immers niet de concentratie van toxische stoffen per m³ bepalen de gezondheidseffecten, maar wél de totale hoeveelheden toxische stoffen die op de mensen en kinderen neerkomen.  De internationale wetenschap heeft de laatste jaren aangetoond dat de stoffen die uitgestoten worden door afvalverbrandingsovens, in welke hoeveelheden ook, gezondheidsproblemen kunnen veroorzaken.  Vanuit dit voorzorgsprincipe kan er geen vergunning verleend worden voor de bouw van een nieuwe afvalverbrandingsinrichting.  Daarom vragen we de Vlaamse regering, vertegenwoordigd door de gemeenschapsminister van leefmilieu, natuurbehoud en landinrichting, bestuur milieuvergunningen, deze vergunning te willen vernietigen.


Namens het Vlaams Platform Milieu en Gezondheid

Drielindenstraat 24

9100 Sint-Niklaas

tel. en fax : 03-766 12 02

E-mail : info@milieugezondheid.be

 

De voorzitter                        De secretaris

Fred De Baere                        De Leeuw Kristine

 

Namens ABLLO vzw (Actiecomité  ter Beveiliging van het Leefmilieu op het Linkeroevergebied en in het Waasland), als rechtspersoon die zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het leefmilieu dat door deze hinder kan worden getroffen

Stationsstraat 126

9170 Sint-Gillis Waas

tel. en fax : 03-770 71 47

E-mail : erik.rombaut@pi.be

 

De voorzitter                        De secretaris

Willy Van Overloop                        Erik Rombaut

 

 

Vlaams Platform Milieu en Gezondheid

www.milieugezondheid.be