|
oktober
2001 Aan
de Vlaamse Gemeenschapsminister van leefmilieu, natuurbehoud en landinrichting Mw.
Dua Vera Kabinet
van Minister Dua Alhambra Emile
Jacqmainlaan 20 1000
Brussel Beroep
tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen,
houdende het verlenen van de vergunning aan de nv INDAVER B, gevestigd aan de
Poldervlietweg z.n. te 2030 Antwerpen, voor het veranderen, door uitbreiding,
van een bestaand en vergund industrieel afvalverwerkingsbedrijf, gelegen op de
percelen kadastraal bekend onder Beveren (Kallo), afdeling 8, sectie A, nrs.
100d en 100e, aan de Molenweg z.n. – Haven 1940 te 9120
Beveren Waas (Kallo). Bijlagen
: -
betalingsbewijs dossiertaks -
attest van aanplakking Inzake
de beroepsmogelijkheden zijn we wettelijk verplicht beroep aan te tekenen bij de
Vlaamse regering, vertegenwoordigd door de gemeenschapsminister van leefmilieu,
natuurbehoud en landinrichting, bestuur milieuvergunningen.
Inzake dit beroepschrift willen we er op wijzen dat zowel de Vlaamse
Regering, afgevaardigd door de minister van leefmilieu, als de adviesverlenende
overheden OVAM (openbare Vlaamse
afvalstoffen maatschappij) (advies van 15 juni 2001) en VMM (Vlaamse
Milieumaatschappij) (advies van 21 juni 2001) betrokken partij zijn in dit
dossier. De Vlaamse Regering is via
de Vlaamse Milieuholding overheidsaandeelhouder van INDAVER B. OVAM en VMM zetelen in de Raad van Bestuur van INDAVER B.
namens de Vlaamse regering. In deze
context wordt het recht op een onafhankelijke behandeling van dit beroepsschrift
geschaad. Wij doen opmerken dat de vergunningverlenende overheid – en dus ook U als bevoegde minister in het kader van huidig beroep – op elk ogenblik (en dus a fortiori in het kader van de behandeling van een uitbreidingsaanvraag) de (basis)vergunningsvoorwaarden kan wijzigen of aanvullen. Wij verwijzen hiertoe naar het basiswerk 'Overzicht van
het Belgisch Milieurecht', 4de editie 1999, auteur W. Lambrechts, Kluwer, 1999.
Prof Lambrechts schrijft in zijn handboek (pag. 164, in fine) :
"Een
milieuvergunning zal in ieder geval de algemene en sectorale voorwaarden moeten
eerbiedigen die voor iedereen gelden die in een bepaalde bedrijfssector actief
is. Maar daarnaast kan de vergunningverlenende overheid bijzondere
voorwaarden opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het
leefmilieu.
Het is zelfs mogelijk om in de lopende vergunning opgelegde voorwaarden te wijzigen of aan te vullen".
Hij verwijst hiertoe naar twee wettelijke bepalingen : a.
Art. 21 van het Milieuvergunningsdecreet : 'de bevoegde overheid kan steeds bij
gemotiveerde beslissing, ambtshalve of op verzoek van de adviesverlenende
overheidsorganen van de exploitant van de personen bedoeld in art. 24 par. 1,
5de, (i.e. elke natuurlijke of rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en
de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden, alsook
elke rechtspersoon die zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het
leefmilieu dat door deze hinder kan worden getroffen), de door haar opgelegde
vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen. Behalve wanneer
zij zelf het initiatief tot wijziging of aanvulling heeft genomen, wordt vooraf
het advies van de door de Vlaamse overheid aangeduide overheidsorganen
ingewonnen. De bevoegde overheid is diegene die in eerste aanleg bevoegd is., tenzij een hogere overheid één of meer van de lopende vergunningen heeft verleend of de vergunningsvoorwaarden ervan heeft gewijzigd. In dat geval is deze hogere overheid bevoegd. Indien na aanmaning door de Vlaamse Regering de bevoegde overheid, niet of onvolkomen optreedt, of indien er ernstig gevaar dreigt voor de mens en het leefmilieu, kan de Vlaamse Regering de vergunningsvoorwaarden wijzigen of aanvullen' (art. 45 §5 VLAREM 1)
b. Art. 45 Vlarem I : 'De overheid die de laatste lopende vergunning heeft verleend of de milieuvergunningsvoorwaarden heeft gewijzigd, kan bij gemotiveerde beslissing de in de lopende definitieve vergunning(en) opgelegde voorwaarden wijzigen of aanvullen : - ambtshalve - op verzoek van de in art. 20 vermelde adviesorganen in zoverre deze bevoegd zijn voor adviesverlening mbt bedoelde inrichting - op verzoek van de exploitant - op verzoek van elke natuurlijke of rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden - op verzoek van elke rechtspersoon die zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het leefmilieu dat door de hinder tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting kan worden getroffen.
Volgens §5 van art. 45 VLAREM 1 kan de Vlaamse minister de vergunningsvoorwaarden ambtshalve wijzigen of aanvullen indien na aanmaning door de Vlaamse minister de bevoegde overheid niet, of onvolkomen optreedt, of indien er ernstig gevaar dreigt voor de mens en het leefmilieu. (*)
Zowel de milieuvergunning [rubriek C. Bijzondere Milieuvoorwaarden - punt 22 b)
: 'de exploitant dient er steeds voor te zorgen dat binnen alle afdelingen van
zijn bedrijf de beste technologieën worden aangewend ter voorkoming of
beperking van emissies] als VLAREM II [art. 4.1.2.1. VLAREM II met definiëring
van het begrip in art. 1.29 VLAREM I] voorzien in de verplichting voor de
exploitant om bij de uitbating steeds gebruik te maken van de 'best
beschikbare technieken'. Deze
voorwaarde wordt in casu zwaar met de voeten getreden.
Volgens art. 23 van de grondwet heeft ieder het recht een
menswaardig leven te leiden. De vergunningverlenende overheid kan, overeenkomstig art.
20 van het milieuvergunningsdecreet, onverminderd de bepalingen van dezelfde
wetten, decreten en uitvoeringsbesluiten bij het verlenen van een vergunning
bijzondere voorwaarden opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en
het leefmilieu. Volgens art. 48 kan de Vlaamse minister bij gemotiveerd
besluit te allen tijde, welke ook de klasse van de inrichting is, de vergunning
volledig of gedeeltelijk schorsen of opheffen, indien de bevoegde overheid in
het geval bedoeld in art. 47,§1, niet of onvolkomen optreedt. Dat er door de exploitatie van de nieuwe
afvalverbrandingsinrichting van INDAVER B. in de nabijheid van een woonomgeving
ernstig gevaar dreigt voor de mens en het leefmilieu is overduidelijk.
De bewering bij de overwegingen van de Bestendig Deputatie
in het vergunningsbesluit, waarin gesteld wordt dat de eventuele hinder
afkomstig van de inrichting dient ondervangen te worden door het opleggen van
passende exploitatievoorwaarden, is zeer vaag en onvoldoende uiteengezet en
gemotiveerd. Hoe men in de toekomst
een “een gezond leefmilieu” gaat garanderen wordt niet uiteengezet.
Nochtans is een gezond leefmilieu een grondwettelijke recht. Op
23 augustus 2001 heeft de Bestendige Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen
aan INDAVER
B een vergunning verleend voor het veranderen, door uitbreiding, van een
bestaand en vergund industrieel afvalverwerkingsbedrijf.
Het
betreft hier de bouw van een nieuwe bijkomende afvalverbrandingsinstallatie met
een capaciteit van 466.000 ton/jaar. Op
deze plaats werkt reeds een afvalverbrandingsinstallatie met een capaciteit van
350.000 ton /jaar. (vergund 29 juni
1995 en 7 mei 1998). Het
huishoudelijk afvalstoffenplan van de Vlaamse regering voorziet in de afbouw van
200.000 ton/jaar afvalverbrandingscapaciteit in Vlaanderen.
Tot op heden werd enkel de afvalverbrandingsoven te Lokeren gesloten met
een capaciteit van ong. 25.000 ton/jaar. In
plaats van de afvalverbrandingscapaciteit in Vlaanderen verder af te bouwen
wordt met de bouw van deze nieuwe afvalverbrandingsinstallatie de
afvalverbrandingscapaciteit in Vlaanderen niet verminderd maar in het totaal
vermeerderd met 441.000. De bouw
van deze nieuwe afvalverbrandingsinrichting is in strijd met het Vlaamse
afvalstoffenplan. De
overheid heeft momenteel nog geen duidelijke beleidsnota over het hoogcalorisch
afval en het slib. Dit is nochtans vereist volgens de EG richtlijn 91/689/EEG.
Vooraleer deze studie niet af is, en men niet duidelijk weet of er nog
bijkomende capaciteit nodig is, en welke soort verwerkingscapaciteit er nodig is
voor het verwerken van hoogcalorisch afval en slib, kan de overheid geen
vergunning toekennen aan een bijkomende afvalverbrandingsinrichting in
Vlaanderen. Deze studie dient
gemaakt te worden door een niet betrokken partij. (Niet door OVAM
en/of INDAVER en/of VMM). Trouwens
het in de milieuvergunning vermelde hoog calorisch afval omvat niet alleen
restfractie dat overblijft na scheiden en gisten maar omvat heel wat industrieel
afval waaronder opgewerkt shredderafval, tapijtafval, restfractie wit- en
bruingoed, bedrijfsafval, textielafval, restfractie bouwafval en selectieve
sloop, houtafval, technisch rubber waaronder teermastiek en rubberbanden. Dit
afval mag niet verbrand worden zonder dat er bewezen wordt dat er geen andere
milieuvriendelijkere verwijderingstechnieken bestaan of kunnen ontworpen worden.
Trouwens voor de verwerking van tapijt-, textiel- en houtafval bestaan er
reeds recyclingtechnieken. Het
nu bouwen van een bijkomende afvalverbrandingsinstallatie in Vlaanderen zal
jarenlang de verwerkingsmethode voor afval hypothekeren.
De bouw van een wervelbedoven wordt immers aangevat vóór de bouw van
bv. grootschalige scheidings- en gistingsinstallaties.
Dit kan op zijn minst heel vreemd genoemd worden.
Hoe kan men de hoeveelheid hoog calorisch afval juist inschatten (afval
dat overblijft na scheiden en vergisten) als deze installaties nog niet werken,
zelfs nog moeten gebouwd worden? De
bouw van bijkomende verbrandingscapaciteit zal ook afvalpreventie ontmoedigen.
De oplossing van het afvalprobleem wordt nu gezocht in produceren en
verbranden. Hoe meer geproduceerd
wordt, hoe meer er zal verbrand worden. De
oplossing wordt nu zeker niet meer gezocht bij het vermijden van afval.
Als de nieuwe oven gebouwd wordt, zal deze moeten gevoed worden.
Waarom nog een preventie doen als de afvalverbrandingsinrichtingen in
Vlaanderen niet op volle capaciteit werken?
Of wil men in Vlaanderen buitenlands afval gaan verbranden? De
nieuwe afvalverbrandingsoven komt in plaats van de afgewezen afverbrandingsovens
te Drogenbos (200.000 ton/jaar en van Fabricom in de Gentse kanaalzone (120.000
ton/jaar). Hierbij willen we
aanmerken dat nu reeds op linkeroever 350.000 ton/jaar wordt verbrand bij
INDAVER, naast de private industriële afvalverbrandingsovens op linkeroever.
Een bijkomende afvalverbrandingscapaciteit, op dezelfde plaats, met 466.000 ton is milieu-hygiënisch totaal niet
verantwoord. De
nieuwe afvalverbrandingsinstallatie wordt ingeplant tussen andere vervuilende
bedrijven op het linkeroever gebied. De
impact van al deze bedrijven samen op de fauna, flora en gezondheid van mensen
en kinderen wordt in het MER niet behandeld.
Hierdoor bestaat er geen duidelijk zicht op de gezondheidseffecten die de
bouw van een nieuwe afvalverbrandingsinstallatie op deze plaats zou kunnen
veroorzaken. Het
bouwen en exploiteren van afvalverbrandingsinrichtingen is bedoeld als
alternatief voor het storten van afval. Een
afvalverbrandingsinrichting biedt geen oplossing voor het storten van afval.
Wat een afvalverbrandingsinrichting doet is het comprimeren van het
afval, maar bij dit proces worden er ook een hele reeks toxische stoffen
bijgemaakt. Daarenboven heeft men
veel bijkomende toxische stoffen nodig om de filterinstallatie te laten werken.
Het gecomprimeerde afval, de nieuwgevormde toxische stoffen, de toxische
stoffen nodig om de filterinstallatie te laten werken en toxische stoffen
onttrokken aan de rookgassen worden
allen gestort! Daarenboven
heeft men geen controle over de toxische stoffen die uit de schoorsteen komen.
De wind speelt met deze stoffen en bepaalt waar deze zullen neerkomen.
Tijdens en na het verlaten van de schouw kunnen deze stoffen reageren met
andere stoffen. In het
linkeroevergebied hangen heel wat stoffen in de lucht waarmee kan gereageerd
worden. Op deze wijze ontstaan
nieuwe toxische stoffen vb PAK’s, die niet gemeten worden in de oven of in de
schouw, maar die wel ontstaan en neerkomen
op plaatsen waar mensen wonen of verblijven. Artikel
130 R,
alinea 2 van het EG-Verdrag en artikel 1.2.1 52 van
het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid
huldigen het zogenaamde preventie- en voorzorgzsbezinsel, dat er onder meer in
bestaat dat
de overheid maximaal maatregelen neemt teneinde het hoogst mogelijke niveau van
milieubescherming te realiseren. De
artikelen 4 en 5
van de
Richtlijn 75/442/EG van 15 juli 1975, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EG
van 18 maart 1991, voorzien ten eerste dat het verwijderen van afvalstoffenmoet
gebeuren zonder risico's voor mens, leefmilieu en natuur, en ten tweede dat bij
het creëren van een net van afvalverwijderingsinstallaties gebruik moet gemaakt
worden van de "best be- schikbare
technologieën", beginsel dat in het algemeen ook is bepaald in het Vlarem
II-besluit, en artikel 5, 1" van het Vlaamse Afvalstoffendecreet verplicht de overheid in
de eerste plaats om de productie van afvalstoffen
te voor komen of te verminderen. De
Belgische overheid heeft dit jaar mede de POP’s-Overeenkomst getekend. Deze overeenkomst heeft tot doel afspraken te maken om de
dioxines te bannen. De bouw van
deze nieuwe afvalverbrandingsoven is volledig in tegenstrijd met deze
overeenkomst. Door deze
overeenkomst te ondertekenen verklaart België zich ook akkoord met het
substitutie-beginsel. Dit wil
zeggen dat het bedrijf zelf de meest milieuvriendelijke
technieken moet gebruiken én dat er geen andere milieuvriendelijkere technieken
bestaan. Noch in het
aanvraagdossier, noch in het MER, wordt op voldoende wijze aangetoond dat de
wervelbedoven de best beschikbare techniek is voor het verwerken van hoog
calorisch afval of voor het verwerken van slib.
Recentere ingeburgerde technieken zoals thermolyse en pyrolyse worden
niet afgewogen tegenover de techniek van de wervelbedoven.
Hierbij is het totaal niet duidelijk of wel degelijk de best beschikbare
techniek wordt toegepast. Het is in
deze OVAM die beweert in zijn advies dat de aangevraagde installatie zowel
volgens BBT-slibverwerking als volgens de BBT-restfractie de BBT is.
We willen hier nogmaals opmerken dat OVAM zetelt in de raad van bestuur
van INDAVER B. namens de Vlaamse Overheid.
Het advies van OVAM is dan ook niet onafhankelijk. Dat
de pyrolyse-techniek bestaat bewijst volgende opsomming van enkele operationele
pyrolyse-ovens :
Ook de plasma-technologie werd niet afgewogen tegenover de
wervelbedoven-technologie :
“APPLIED
PLASMA TECHNOLOGIES “APT is keen to contribute to a new environmentally
sustainable economy, as a replacement for a resource destructive production
system and a throw-away consumerism, which have led to accumulation of wealth
for one fifth, and to below human dignity living conditions for another fifth of
the world population. The
restoration of sound ecosystems as a matter of urgency requires a fundamental
change in the energy production and consumption patterns. A plasma torch is a tool, whereby a controlled electrical current is
carried by an ionised gas, and develops temperatures as high as 20.000° C.
This tool is compact, uses clean energy (electricity) and is the only
tool capable of dissociating simultaneously any organic or inorganic material in
its components without polluting effect. A plasma reactor, equipped with one or more plasma torches, allows to
recover up to 99 % of the energy, contained in the organic fraction of any
product. The product submitted to thermal treatment by a plasma reactor can be in
a liquid, gaseous or liquid form. It
can be a fossil fuel, a manufactured product, a by-product, or a waste. Waste has a negative connotation: a product without value, a debris, a
left-over of an agricultural or industrial activity. Some wastes represent a hazard: medical and hospital waste,
toxic by-products from industrial processes, and, to a large extent, household
waste. What is generally described as a “waste” or a “refuse” is a
by-product, whose life cycle ends where the life cycle of the principal product
begins”. In
punt 2 van
bijlage III van
richtlijn 97/11/EG van 3 maart 1997, tot wijziging en aanvulling van Richtlijn
85/337/EG van 27 juni 1985 inzake de milieueffectenrapportering, wordt de
verplichting opgelegd om
bij de
locatie bepaling van hinderlijke activiteiten die gebieden te ontzien waar de
vastgelegde milieukwaliteitsnormen reeds zijn overschreden en waar een grote
bevolkingsdichtheid bestaat. Artikel
22 van het milieuvergunningsdecreet
legt
tenslotte aan elke exploitant op om, ongeacht verkregen administratieve
toelatingen, steeds maximaal maatregelen te treffen en voorzorgen te nemen om
hinder voor mens en leefmilieu te beperken. Het
voorzorgs- en preventiebeginsel, zoals dit o.a. is vertaald in bovenstaande
bepalingen, is van rechtstreekse toepassing, en kan door een rechter op verzoek
van belanghebbenden gehanteerd worden als toetssteen voor de evaluatie van
hinderlijke activiteiten, zoals recentelijk de procedure (ook overeenkomstig de
wet van 12 januari 1993) inzake de sluiting van de afvalverbrandingsoven van de
intercommunale ISVAG te Wilrijk heeft aange- toond
(Rb. Antwerpen, kort ged., 2 februari
1999, niet ceo.). De
plannen om de nieuwe afvalverbrandingsoven van INDAVER B te Beveren te bouwen
en op te starten druisen in tegen deze normen, om volgende redenen : Onder
de definities "luchtverontreiniging" van artikel 1.1.2 van
het Vlarem II-besluit wordt de naburige gemeente
Zwijndrecht gekwalificeerd als één van de "speciale
beschermingszones" in Vlaanderen, waar de te verwachten toename van de
luchtverontreiniging ten gevolge van stedelijke
en industriële ontwikkelingen moet beperkt of voorkomen worden. De
toepassing van het voorzorgs- en preventiebeginsel vereist dat hiermee rekening
wordt gehouden bij de keuze van de
inplantingsplaats voor dergelijke oven, om verdere luchtvervuiling in het gebied
te voorkomen. Temeer de inplanting
van de nieuwe afvalverbrandingsinstallatie gelegen is in onmiddellijke de
nabijheid van twee natuurgebieden : het Galgenschoor en de linker Scheldeoever. Ook
deze vaststelling rechtvaardigt een toepassing van het voorzorgs- en
preventiebeginsel, opdat aan de verdere vervuiling van deze regio’s en
gebieden wordt gestopt. -
De gebruikte
technologie (wervelbedoven) beantwoordt niet aan de best beschikbare en haalbare
alternatieven (artikel 4.1.2.1 van het Vlarem 11-besluit). Zo
wordt
genegeerd dat andere, veel milieuschonere, en niet noodzakelijk duurdere
technieken beschikbaar zijn,
die niet enkel in het buitenland, doch ook reeds in België van toepassing zijn
(doorgedreven scheiding, vergisting, thermolyse, pyrolyse), en waarvan het
Vlaams Parlement bij resolutie van 20 januari 1998 beslist heeft dat aan de implementering daarvan absolute
voorrang moet gegeven worden.
Ook
binnenlandse en buitenlandse deskundigen vanuit meerdere
medische disciplines zijn dit standpunt toegedaan (zie het belangwekkende
gezamenlijke standpunt van vier professoren van de U.I.A. en later van 22
binnen- en buitenlandse universiteitsprofessoren het advies van de Nederlandse
Professor Copius Peereboom, het standpunt van 17 vooraanstaande
ethici-moraalfilosofen van alle Vlaamse universiteiten,
een studie van het VITO van
februari 1998),
en zelfs de
beleidsverantwoordelijken tot de bevoegde minister zelf leggen nu
verklaringen
in die richting af. De
bouw en exploitatie van een nieuwe wervelbedoven te Beveren zou onverantwoord
zijn in het licht van het moratorium dat de minister zelf injuli 1998 heeft
afgekondigd voor nieuwe ovens, beslissing die precies ge-motiveerd was door de
noodzaak om alternatieve verwerking technie-ken ernstig te onderzoeken.
Dit moratorium werd ook herhaald in de regeringsverklaring van juni 1999. Het
in het milieu-effectenrapport uitgetekende
luchtverspreidingsmodel en de daarop gebaseerde dispersieberekening voor
verontreinigende stoffen zijn onnauwkeurig, gezien geen rekening werd gehouden
met het effect van de nabijheid van de koeltoren van de kernenergiecentrale
Doel, en met name en vooral de aanzienlijke wolk waterdamp die deze produceert.
Deze zou kunnen zorgen voor een soort oneigenlijke rookwassing, gevolgd door
een onmiddellijk "uitregeningseffect" van de schadelijke stoffen. Bovenstaande
elementen vormen evenvele kennelijke schendingen van normen die de bescherming
van het leefmilieu beogen, of betekenen minstens een ernstige bedreiging
daarvoor. Op grond hiervan vragen
wij dat de beslissing van de Bestendige Deputatie met betrekking tot de bouw van
de nieuwe afvalverbrandingsinstallatie van INDAVER B zou vernietigen. De
gezondheidsgevolgen voortvloeiend uit de werking van afvalverbrandingsovens
werden in talrijke internationale rapporten wetenschappelijk vastgesteld.
Eén van de meest gevaarlijke stoffen die de oven verlaten is fijn stof.
Fijn stof wordt ook in de nieuwe generatie afvalverbrandingsovens weinig
of niet gefilterd. De mazen van de
mouwenfilters zijn te groot om dit fijn stof tegen te houden.
Heel wat giftige stoffen hechten zich vast aan fijn stof.
Fijn stof kan tot diep in de longen van de mensen doordringen, waardoor
deze toxische stoffen rechtstreeks in de bloedbaan doordringen en kinderen en
mensen vergiftigen. De
bestaand milieunormen moeten worden herzien.
Zolang deze normen niet herzien zijn kan men geen ernstige
risico-evalutaties doen omtrent de gezondheidseffecten van een
afvalverbrandingsoven. De Commissie Milieu en Gezondheid van het Vlaams Parlement kwam dit jaar tot het besluit dat de bestaande milieunormen volledig zouden moeten worden herzien om ze af te stemmen op de bescherming van de kwetsbare groepen in de samenleving. Nu zijn de normen op basis van gezondheidseffecten afgestemd op normale, gezonde volwassenen. De commissie vindt ook dat milieu- en gezondheidsnormen aangepast moeten worden aan de toegenomen wetenschappelijke kennis. Verder wil ze dat de emissienormen gebied per gebied kunnen worden aangepast, bijvoorbeeld aan de vervuiling van een bepaald bedrijf.
De Milieu- en Gezondheidscommissie wil ook dat de overheid een pro-actief milieubeleid zou voeren, dat gezondheidseffecten moet nagaan voor er klachten optreden. De commissie kwam er na het grootschalig milieu- en gezondheidsonderzoek dat de Vlaamse regering heeft laten Uitvoeren. Het eindrapport van het onderzoek “Milieu en Gezondheid” 2001 geeft duidelijk de gezondheidsgevolgen van verbrandingsovens weer op de gezondheidstoestand van de omwonenden. Vb. Wilrijk en Isvag-oven, Hoboken en de metalurgie, Peer en de oven van Houthalen. De luchtkwaliteit in de omgeving van de nieuw in te planten INDAVER afvalverbrandingsoven (linkeroever gebied) behoort volgens de vaststellingen van de Vlaamse Milieu Maatschappij tot de meest vervuilde regio in Vlaanderen. Wat bepalend is voor de gezondheid van de omwonenden is niet zozeer de uitstoot concentratie van giftige stoffen per m³ maar de totale neerslag van toxische stoffen. De neerslag van toxische stoffen in het linkeroever gebied is reeds onaanvaardbaar hoog. Nu reeds komen er heel wat milieu-gerelateerde gezondheidsproblemen voor bij de omwonenden van het linkeroevergebied. Een verdere belasting van het milieu zullen deze gezondheidseffecten alleen maar exponentieel doen toenemen. De nota van Belgisch milieuspecialist Dr Pluygers Eric, Rue Jean Stobbaerts 81 b, 1030 Brussel schetst duidelijk de mogelijke gezondheidsrisico’s van afvalverbrandingsovens waaronder zeker ook de wervelbedafvalverbrandingsinrichting van Beveren behoort. “LES DIOXINES
(et substances apparentées) ONT-ELLES
UN IMPACT SUR LA SANTE HUMAINE ? Le
scandale de la dioxine
contaminant divers produits alimentaires réinstalle tristement à
l’ordre
du jour le problème de l’impact potentiel, sur la
santé
humaine, de l’exposition à de faibles concentrations de dioxines, un problème
déjà soulevé
antérieurement dans le cadre des installations et extensions proposées
d’incinérateurs d’ordures ménagères, gros émetteurs de
dioxines
et de métaux lourds, notamment de plomb et de mercure. Les
conseils
de prudence et les mesures de précaution préconisés par les spécialistes indépendants
qui s’étaient penchés sur ces questions (et dont font partie les auteurs de
cet article) avaient été balayés par les affirmations péremptoires d’
((
experts
))
déclarant
que l’exposition aux dioxines
ne constituait pas un risque majeur pour la
santé
publique, la seule
certitude étant que (( seule la
chloracne‘
(affection dermatologique tenace généralement bénigne) représente une
manifestation chnique attribuable aux dioxines, en cas d’exposition à
forte dose’ u.
Et
la désinformation
se poursuit. «Rien
n’autorise en effet d établir une association formele entre l’exposition à
faible dose de
l’homme aux dioxines et la mortahté, un désordre hépatique chronique, une
maladie immunitaire, cardio-vasculaire,neurologique, des mafformations congénitafes’,
...
etc ».
Ailleurs
il est
affirmé qu’il n’existe aucune preuve que l’exposition aux dioxines
augmente le risque
de cancer. Le
même type d’informations est à nouveau
diffusé à l’occasion de l’actuelle contamination alimentaire,
et ceux qui attirent l’attention sur les risques potentiels (mais réels)
encourus par les couches les plus vulnérables de la
population
c’est-à-dire les jeunes enfants, les nouveau-nés et les fœtus exposés dès
avant leur naissance dans le ventre de leur mère, sont accusés de semer la
panique dans la population. I1
semble
dès lors utile de resituer le problème dans son contexte scientifique réel, à
la lumière
des données -nombreuses- qui sont actuellement disponibles. Premièrement, tout
le monde
est d’accord pour déclarer qu’aucun effet aigu et facilement perceptible ne
doit être attendu : les dioxines ne sont pas des poisons directs et
ne produisent pas d’effet visible, excepté la
chloracné
en cas d’exposition massive. Deuxièmement, cette
absence
d’effet visible immédiat ne signifie pas qu’il n’y a pas d’effet :
simplement,celui-ci
se déroule à I’échelon cellulaire et va entraîner une série
de modifications fonctionnelles dont les effets ne vont devenir apparents que
beaucoup plus tard -généralement des années, et parfois à
la génération
suivante ou même à la troisième génération. Parmi ces effets, on peut
signaler : la stimulation de certains enzymes qui peuvent
accroître le pouvoir cancérigène d’autres polluants ;
l’activation
d’oncogènes et de facteurs de croissance impliqués dans la prolifération cellulaire
-intervenant donc dans la formation des cancers-; des altérations du métabolisme
cellulaire, notamment sur le terrain
hormonal,entraînant une perturbation de l’équilibre hormonal’. Troisièmement,
nombre de ces effets -par exemple les troubles du développement- ne
s’observent que chez les sujets en période de croissance et sont totalement
inobservables chez l’adulte. De plus,
l’exposition à des doses
très
faibles (en raison de l’absence de seuil d’activité) pendant des fenêtres
temporelles brèves peut déjà entraîner des conséquences majeures, évidemment
tout à fait inobservables chez l’adulte. I1
résulte
de ces observations que l’extrapolation simple des effets constatés chez
l’adulte, à l’enfant –et surtout aux fcetus et nouveau-nés-,
conduit à des conclusions inacceptables. Passons en revue quelques uns des
effets observés, à la lumière de publications récentes. Carcinogénicité L’extension
à quinze ans de suivi de
la population
exposée lors de la catastrophe
de Seveso montre une élévation globale du risque de cancer de l’ordre de 40%.
Elle
porte principlement sur ies cancers de l’appareil digestif, les cancers de
l’appareil lymphoïde et du système hématopoïétique (qui concerne
l’hématopoïèse, c’est-à-dire la formation des hématies, ou globules rouges, par le
foie
-chez l’embyon- et par la
moelle
des os. NdR); ((l’accroissement observé est associé à
l’exposition à
la
dioxine écrit
Bertazzi, responsable de 1’étude3. A
Trieste
(Italie) l’exposition aux émissions de l’incinérateur municipal entraîne
un risque 2,6 fois
plus élevé de développer un cancer du poumon, par rapport aux habitants du
centre-ville. Une intéressante étude a été effectuée en Russie à
Chapayevsk
(Est, Province de Samara) : la
mortalité par cancer est 1,3 fois plus élevée que la
moyenne
russe et 1’4 fois
plus élevée que la moyenne
américaine, avec une incidence x 1,5 pour
les cancers du poumon et x 2,1 pour les cancers du larynx. L’espérance de
vie est raccourcie de 2,3 années
chez les hommes
et de 1’9
années
chez les femmes.
La
teneur
en dioxine dans les dérivés du lait est considéré comme le premier facteur
responsable4. Enfin, il
convient
de signaler qu’un comité d’experts réuni par les
soins
du Centre International de Recherche sur le Cancer (CIRC- IARC)
à
Lyon
a conclu que la
2,3,7,8-Tetrachloro-dibenzo-p-dioxine (dioxine
de Seveso) est cancérigène pour l’homme’. Effets
non-carcinogènes Ces
effets découlent du mécanisme d’action des dioxines (et molécules apparentées
:
furannes
et PCB-polychloro biphényles) et surviennent à
des
niveaux qui sont souvent de 1 à 2
ordres
de grandeur inférieurs à ceux induisant des effets carcinogènes. Les
foetus
et enfants y sont très sensibles. Signalons
en premier lieu les effets sur la reproduction :
fréquence
plus grande d’avortements spontanés, mais aussi prématurité, mortalité périnatale
plus élevée, faible poids à
la naissance.
Des
troubles
du développement de I’embyon et du jeune enfant sont également
rapportés et semblent
assez fréquents au niveau des membres (au Vietnam, après exposition à
l’Agent
Orange [défoliant contaminé par des dioxines], à
la
deuxième et à la troisième génération), de l’appareil génital
sous forme d’hypospadias (absence de soudure de l’urètre au niveau de la
verge), de l’appareil urinaire. L’expérimentation
animale laisse entrevoir la possibilité d’effets au niveau de la
face
(fentes palatines). D’un
intérêt particulier sont les effets
sur
le
développement
du système nerveux, qui consistent principalement en troubles
fonctionnels résultant d’une rupture des voies synaptiques normales avec,
comme conséquence, une altération des fonctions cognitives et un retard
intellectuel qui peut être évalué par une batterie appropriée de tests.
Plusieurs études très poussées sont disponibles, notamment chez la
cohorte
Yu-Cheng à
Taiwan,
dont les mères avaient été exposées aux PCB présents dans l’huile de
cuisson du riz7. Les enfants nés jusqu’à 6 ans
après l’exposition de leur mère présentaient les mêmes retards que ceux nés
immédiatement après l’intoxication maternelle. Des troubles du comportement
sont également
rapportés. Le
dérèglement
des fonctions endocriniennes fait également partie de la
panoplie
d’effets provoqués
par les dioxines,
furannes et PCB.
Bertazzi3 note un risque plus élevé de diabète et l’hypothyroïdie
est couramment signalée’. Cette dernière interviendrait dans la
neurotoxicité
des dioxines lors des phases initiales du développement et l’administration
de thyroxine pourrait neutraliser ces effets’. Cette
revue de quelques uns des effets non-carcinogènes des dioxines (et molécules
apparentées) serait incomplète sans mentionner sa très
importante
action immunotoxique. En fait, de tous les systèmes de l’organisme,
c’est le système
immunitaire qui apparaît à la fois le plus sensible et le
plus
précocement atteint. Les observations ne manquent pas, à commencer par
l’intoxication de Times Beach (Missouri,USA), survenue
en 1971-1973.
La population a été
exposée (par voie externe) à de l’huile contaminée par des PCB et les
dioxines ;
suite
à la persistance d’effets immunotoxiques, la plage a
été évacuée
en 1983.
L’atteinte
consistait en une diminution des lymphocytes T
circulants
(responsables de l’immunité cellulaire), avec diminution des lymphocytes CD4 («helper»)./
et
élévation des CD8 (« suppressor»)
avec,
comme conséquence, un abaissement du rapport CD4/CD8, dont les valeurs inférieures
à 1correspondent
à
une
immunodéficience, et les valeurs supérieures à
2,25 à
une réaction hyper-immune,prédisposant aux allergies et aux maladies
auto-immunes. Ces modifications sont encore observées après 9
à
14
ans
chez des enfants exposés in utero, ou après leur naissance’. Tout
aussi intéressantes sont les observations de Dewailly et collaborateurs chez
les nouveau-nés Inuit du Nord-Québec, de plus en plus fréquemment victimes de
maladies infectieuses (otite moyenne) causées par
une
déficience immunitaire (chute du rapport CD4/CD8), elle-même causée par une
contamination alimentaire du lait maternel par des dioxines.
On
peut rapprocher de ces études nos propres observations (en cours de
publication), montrant des altérations immunologiques (déficiences,
hyper-immunité) chez une proportion importante (jusqu’à 50%) des
habitants de la région du Centre, exposés à des concentrations importantes de
dioxines et d’autres polluants organiques (voir Atlas de l’air en Wallonie).
C’est ce que nous avons appelé un état de « SIDA
chimiqueé »
, touchant environ 30%
de
la population
dans certaines zones. Parmi
les effets combinés d’immunotoxicité et d’altérations hormonales,
signalons encore la grande fréquence de l’adénomyose parmi les femmes exposées. Conclusions Au
vu de toutes ces données, qu’il est impossible de développer de manière
plus exhaustive ici, faute de place, mais dont la
matérialité
est confirmée par des travaux sérieux et contrôlés, il
est
surprenant de constater que certains (( experts
))
affirment
que les dioxines (( n ’excercenf
pas d’effet majeur sur la
santé humaine >).
Et
d’invoquer que l’exposition se fait à des concentrations tellement faibles, de
l’ordre du picogramme (pg), c’est-à-dire du millionième de millionième
de gramme, que leur effet est négligeable et que, de toute manière, ces
concentrations sont inférieures aux seuils découlant des ((
normes
))
en
rigueur. C’est
oublier trois choses : d’abord
le mécanisme d’action des dioxines n’implique aucun effet de seuil ;
les
spécialistes de la question s’accordent à ce
sujet et le CIRC-IARC a entériné leurs conclusions :
« une molécule
du complexe Ligand (
=
polluant)-récepteur peut déjà produire une modification dans l’expression d’un gène,
théoriquement (car non mesurable
).
.
Cela
signifie, deuxième point important, qu’aucune dose foumie n’est acceptable
et que la seule
norme admissible est la norme zéro.
Toutes
les normes (10-541
pg)
dont on discute et auxquelles on est censé se conformer sont des normes de
convenance
qui n’ont aucune valeur scientifique. De toutes les ((
normes
))
officiellement
en vigueur, une seule
est basée sur l’analyse scientifique du mécanisme d’action des dioxines :
c’est
celle de I’EPA (Agence pour la Protection de l’Environnement)
aux Etats-Unis, et elle se situe à
0,0064 pgkg
de
poids par jour, c’est-à-dire de 160 à
1.600
fois
plus bas que
les normes
européennes,
qui sont totalement dénuées de la moindre valeur scientifique mais permettent
de poser des limites (arbitraires) dans le cadre des réglementations. Enfin, il
ne
faut pas perdre de vue que ces normes -déjà critiquables en elles-mêmes- se
rapportent à
des
adultes en bonne santé et ne tiennent absolument pas compte de la
sensibilité
beaucoup plus grande des sujets jeunes, spécialement pendant les phases
initiales de leur développement, pas plus qu’elles ne tiennent compte des
polymorphismes génétiques (qui peuvent faire varier la
sensibilité
individuelle dans des proportions qui vont de 1
à
1000),
ni
des effets de synergie
suite à des interactions avec d’autres polluants et contaminants (nous sommes
tous exposés à des polluants multiples inter-agissant entre eux). Pour
ces diverses raisons, l’impact des dioxines sur la
santé
humaine ne peut être alablement évalué que par le recours au biomonitorage,
portant sur l’analyse d’un certain nombre de paramètres appropriés
directement parmi les populations exposées. Kopponen (et d’autres) ont
d’ailleurs établi que l’évaluation par biomonitorage montrait toujours des
résultats nettement supérieurs à
ceux
découlant des calculs théoriques, ces demiers ne prenant pas en compte un
certain nombre de molécules, ni les effets sunergiques.
Un
point d’importance contribuant à augmenter
l’impact des dioxines sur la santé est la longue persistance de
ces
molécules (et substances apparentées) et leur non-biodégradabilité
: toute
quantité fixée dans l’organisme (principalement au niveau du tissu adipeux)
aujourd’hui, y restera définitivement en raison de son absence quasi totale
d’élimination, d’une bio-dégradation quasi nulle,Suite à
des
expositions antérieures (incinérateurs, industrie) chacun de
nous
possède donc
un «captial-dioxine» pratiquement immuable, auquel toute nouvelle
exposition ne peut qu’apporter de nouvelles « parts de capital ».
Ceci
n’est pas sans conséquences. La charge
moyenne actuelle de la population belge
est estimée à 2 picogrammes
par kilo de poids corporel. Sur la base des données de l’EPA
américaine,
un tel «capital »
peut
être tenu pour responsable du développement de
2000 cas
de cancer
parmi l’ensemble de la
population belge, avec des pointes beaucoup plus importantes chez les
personnes résidant à proximité
des sources polluantes. Tout ce qui viendra s’y ajouter, que ce soit par
l’alimentation, par l’industrie, par les incinérateurs -notamment
d’ordures ménagères- ne pourra que faire gonfler ce chiffre. Si
l’on
invoque le respect
de nouvelles normes (( plus sévères )),
il faut
se souvenir que la
seule
norme acceptable est la norme zéro. Et
il faut
savoir que les effets non-carcinogènes des dioxines (et apparentés)
surviennent à
des
concentrations beaucoup plus faibles que les cancers, et peuvent dès lors
toucher
des dizaines de milliers de
personnes
de manière sournoise et sans qu’un lien de cause à effet soit nécessairement
établi avec une exposition aux dioxines. N’oublions pas non plus que
ces effets vont principalement toucher les enfants, éventuellement seulement à
la
deuxième ou même troisième génération, et représenter dès lors
une
menace dont l’étendue ne peut pas être appréciée actuellement. Confrontés
à
des
effets souvent ténus et toujours sournois, mais lourds de
menaces
potentielles à
long
terme, nous ne pouvons absolument pas nous satisfaire d’une attitude -basée
sur des données obsolètes-qui nierait tout ce qui n’est pas
directement
visible ou perceptible. I1 est
urgent de mettre en place une commission de vigilance composée d’experts compétents dans les
divers domaines où la toxicité des dioxines peut se manifester. De plus, le
principe
de
précaution
implique la suppression de toute source évitable de dioxines, associée à
un
suivi médical approprié des populations qui ont pu être antérieurement exposées. 20
juin
99 Eric
Pluygers est docteur en médecine, cancérologue, écotoxicologue et membre du
groupe pilote CDSM sur les «Biomarqueurs de carcinogenèse » Omdat
wij vinden dat het voorzorgsbeginsel inhoudt dat eerst moet bewezen worden dat
de gezondheid van onze kinderen niet geschaad wordt door de bouw en exploitatie
van deze nieuwe afvalverbrandingsoven vragen we een blootstellingsonderzoek bij
mensen en kinderen die wonen en verblijven in de neerslagzone van het
linkeroevergebied. Pas dan kan men
de effecten kennen van de toxische stoffen die op het linkeroevergebied
vrijkomen. Immers niet de
concentratie van toxische stoffen per m³ bepalen de gezondheidseffecten, maar wél
de totale hoeveelheden toxische stoffen die op de mensen en kinderen neerkomen.
De internationale wetenschap heeft de laatste jaren aangetoond dat de
stoffen die uitgestoten worden door afvalverbrandingsovens, in welke
hoeveelheden ook, gezondheidsproblemen kunnen veroorzaken.
Vanuit dit voorzorgsprincipe kan er geen vergunning verleend worden voor
de bouw van een nieuwe afvalverbrandingsinrichting.
Daarom vragen we de Vlaamse regering, vertegenwoordigd door de
gemeenschapsminister van leefmilieu, natuurbehoud en landinrichting, bestuur
milieuvergunningen, deze vergunning te willen vernietigen.
Drielindenstraat
24 9100
Sint-Niklaas tel.
en fax : 03-766 12 02 E-mail
: info@milieugezondheid.be De voorzitter
De secretaris Fred De Baere
De Leeuw Kristine Namens ABLLO vzw (Actiecomité ter
Beveiliging van het Leefmilieu op het Linkeroevergebied en in het Waasland), als
rechtspersoon die zich de bescherming tot doel heeft gesteld van het leefmilieu
dat door deze hinder kan worden getroffen Stationsstraat 126 9170 Sint-Gillis Waas tel.
en fax : 03-770 71 47 E-mail
: erik.rombaut@pi.be De voorzitter
De secretaris Willy Van Overloop
Erik Rombaut
Vlaams Platform Milieu en Gezondheid
|